Aleppo

Een levend standbeeld. Een bestoft stilleven.

Het jongetje zit als een kleine prins op een veel te grote, oranje zetel, in een ambulance. Aan zijn voeten: een rijk in gruzelementen, zijn jeugd aan flarden. Nooit meer naïef.

Hij ziet zwart. En grijs. En grauw. En blauw. Over zijn blote armpjes en beentjes ligt een tweede huid van as en afval. Een puinlaag van roet, die gewassen moet worden. Waar is moeder?

Het pagekopje, met een dikke en jongensachtige haardos, schemert van schaduwtinten en aangekoekt bordeaux van een wijnplek van bloed aan de linkerslaap. En de knaap, die samen met drie andere kinderen betrokken raakte bij een luchtaanval in de Syrische stad Aleppo, krabt op een gegeven moment aan de wonde. Alsof hij net wakker werd, en de slaapklonters uit zijn ogen wrijft.

Maar de nachtmerrie begint pas.

En met het gebaar komt de verwondering van de eigen sterfelijkheid; een gedachte veel te groot voor een volwassene, laat staan een vijfjarige.

En met het gebaar komt tegelijk ook de gêne. Want het jongetje weifelt met zijn handjes, die vuil zien en pieken van de schaafwonden. Hij wil steunen op de zetel (zijn troosteloze troon als uitstalraam) maar ook geen plekken maken, terwijl hijzelf vol met plekken staat. Dus doet hij alsof; alsof het niets voorstelt.

Kinderen in de oorlog in Syrië: wie blijft, wordt gebombardeerd, wie vlucht, verdrinkt.

omran

 

(Dit stukje verscheen eerder in De Standaard)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *