Bij het verlies van een konijn

Bij het verlies van een konijn: vier vaststellingen.

Samen met het verdwijnen van een huisdier verdwijnt de taal. Of een deel ervan. Ik heb geen redenen meer om de naam van Lodewijk nog uit te spreken. Niet tegen vrienden of kennissen, niet tegen mezelf, Marie of Claus. In de rouw verliezen de achterblijvers meer dan alleen het evidente, het stoffelijke –ze moeten ook inboeten aan woorden, intonaties, uitdrukkingen, stoplappen, een tonaliteit. Zo kon ik ‘Lodewijk’ op verschillende manieren uitspreken. Kort en staccatogewijs, wanneer het om een direct bevel ging. ‘Niet de planten, Lodewijk. Godverdomme, Lodewijk. Af. Weg. Kutkonijn.’ Of langzaam en elke lettergreep uitgesplitst, als ik kwaad was, maar toch vertederd, omdat een dier schuld noch boete kent. Dan was het van handen in de zij, en kinderachtig van: ‘Lo-de-wijk toch.’ Net niet het vingertje in de lucht. Of wanneer hij als een witte meetlat gestrekt ging liggen op de grond, om uit te rusten, en groter leek dan normaal, dan klonk het in dalende lijn: ‘Oh, zie nu eens –ons Lodewijkje.’ Hetzelfde met vakjargon (en termen als ‘kakbak’, ‘korrels’, ‘keutels’) –het gaat langzaam verloren in mijn spraak. Net als bepaalde zinnen: ‘heeft hij vandaag al losgelopen?’ –of: ‘heeft hij al vers water gekregen?’ Een baasje bouwt een heel idioom op, aangepast aan het gedrag van het dier, maar dat verbrokkelt bij het sterven ervan. Waar de taal vroeger als een verkeerslicht het gedrag van Lodewijk rechtstreeks stuurde –het kon verbieden, waarschuwen, toestaan en aanmoedigen– daar verdwijnt het nu in een stilzwijgend, steriel vacuüm. Van woord, naar vlees, naar herinnering, naar uiteindelijk bijna helemaal niets meer. Want elke referentie naar het heden ontbreekt, en dat ontbreken wordt steeds groter. In de plotse absolute afwezigheid van een huisdier, in die frontale scheiding tussen leven en dood, worden de woorden die Lodewijk eens zo liefelijk en idiosyncratisch omhulden, thans één na één ontmanteld.

*️⃣

Met de dood van Lodewijk verdwijnt ook de gedaante van Lodewijk als vast ankerpunt in huis. Geografisch, akoestisch, fysisch. Geografisch, omdat hij ofwel aan de tafelpoot zat, of onder de kast in de schrijfkamer, of tussen de muur en de kleerkast, of achter de printer –hij meed open ruimtes, en liep als een wendbare schaduw langs de plinten. Wanneer ik binnenkwam, van werk of café, keek ik vanzelf naar de zetel, naar Claus, en naar de kooi van Lodewijk (in die of in de omgekeerde volgorde). Die beweging werd nu gemutileerd, werd gehalveerd, maar zit nog in het systeem. In de rieten mand van Claus ligt bijvoorbeeld een wit doekje dat ik al meermaals voor Lodewijk aanzag; weliswaar nooit langer dan een seconde, maar voldoende om te beseffen: een spook is een spasme in je kop –en het knettert onder mijn schedelpan. Akoestisch dan, oftewel het geluid van metaal. Als de eetbak van Lodewijk ’s avonds leeg was, meestal tegen middernacht, zwiepte hij kwaad en haast bewust met het kommetje, dat hij opgooide en dat daarna kletterend neerkwam. Signaal om op te staan, en ‘de kleine’ bij te voederen. Ook akoestisch: het seriële getik van konijnenpoten en nageltjes op het laminaat, of het hopeloos, te snel klauwen wanneer hij achterna gezeten werd door de hond en vaste grond zocht om uit te startblokken te schieten. Fysisch, tot slot –wat versta ik onder fysisch? Bewegingen, manoeuvres, handelingen die ik speciaal in functie van het konijn uitvoerde. Zoals de graskanten van het park afspeuren, bukken, de vochtige bladeren van paardenbloemen plukken. Zoals doodstil in de zetel liggen, in de hoop dat Lodewijk me kwam vergezellen; als hij dat deed, likte hij soms een half uur lang gebiologeerd aan de broekspijpen van mijn pyjama. Ook fysisch: de rayon in de winkels. In de Delhaize speciaal de groenteafdeling passeren voor witloof en groene kool, de Maxi Zoo helemaal doorsteken, voor pallets en snoepjes. Allemaal niet meer nodig nu, allemaal geschiedenis; daden zonder toekomst of nut nog. Ik voelde me daardoor, in het begin, bij het wegvallen van al die verschillende soorten ijkpunten in dat ene beestje gelokaliseerd, lichtjes gedesoriënteerd in mijn eigen appartement, in mijn eigen tijd, gevangen in mijn eigen lichaam, dat nog steeds reageert alsof Lodewijk leeft –dat klinkt misschien overdreven, maar het gaat vooral om de kleine dingetjes: de snelle blikken naar de kattenbak, bij het openen van de frigo naar een extraatje voor hem zoeken, met een veeg van mijn voeten een drolletje onder de kast mikken: wat je niet ziet, is er niet. Dat geldt voor vuilnis, dat geldt sinds kort voor Lodewijk. Dood en afval –concepten die soms ongemakkelijk dicht bij elkaar liggen.

*️⃣
Bij huisdieren bestaat de gruwelijke mogelijkheid om ze te vervangen. Niet het individuele exemplaar, natuurlijk, maar wel door een versie van dezelfde soort, van hetzelfde geslacht, met eenzelfde stamboom. Lodewijk was een Teddy Widder, een langorig konijn met Amerikaanse en Amsterdamse roots, met een zachtaardig en nieuwsgierig karakter, en een dik pak haar. In een lukraak gekozen exemplaar van dat ras zou ik wellicht grotendeels dezelfde kenmerken van Lodewijk terugvinden. Vormelijk: een enigmatische volwassen blik, een geurloze vacht (en zacht als sneeuw), een dun nekje, een breed, vlak neusje in een gespleten ruitjesvorm. Maar ook naar hun aard zullen beide elkaar overlappen: aanhankelijk maar toch op zichzelf; speels maar evengoed ernstig, bedachtzaam, koppig bij momenten. Opnieuw een Teddy Widder aanschaffen, die dicht aanleunt bij het origineel, is daarom bijna een sacrale daad van wederopstanding, van pluizige transsubstantiatie. Een huisdier houden? Een religie in het klein –maar ik geloof niet in God. Overigens, de vraag naar vervanging stelt zich heel snel, namelijk al bij de eerste confrontatie met de lege kooi en de overgebleven spulletjes: een halve zak hooi, voedselbrokken, graanstaven, een volledige knaagsteen nog. Wat ermee doen? Naar de kelder verkassen, weggeven of bijhouden voor een mogelijke opvolger? Voorlopig geen idee. Maar Lodewijk meteen vervangen (Lodewijk is dood, lang leve Lodewijk), vind ik om meerdere redenen geen optie. Het bevestigt op een absolute manier de onderdanige status van het konijn als gezelschapsdier –dat het een ding is dat vooral de emoties van het baasje dient, zelfs het negatieve draagt bij tot diens lering en vermaak. En eenmaal daarvan geproefd, kan de cirkel opnieuw aanvatten, te beginnen met de opwinding van het uitkiezen van een jong uit een verse worp. Neen, te snel een huisdier vervangen, legt niet alleen het commerciële, berekende karakter van mijn verdriet bloot; het camoufleert bovenal het dramatische feit van het sterven zelf –en van de beeltenis van Lodewijk die, met de dood als donkere achtergrond, stoelt tot een unieke, spaarzame, glinsterende gedachte.

*️⃣
Treuren om een konijn gebeurt nooit restloos. Complexloos. Zonder gêne. Ik bedoel: toen Lodewijk kwam te gaan –in een kartonnen doos, in de wachtkamer van de dierenarts, terwijl ik de administratie aan het afhandelen was– wist ik niet wat kon qua verdriet en wat aanvaardbaar was. Niettemin, ik voelde meteen, bij het eerste schokschouderen, een soort remming in mij geactiveerd. Maakte ik niet te veel van te weinig ? Groot verdriet, bescheiden beestje: klopten die verhoudingen wel? Overdreef ik niet als volwassene? Mocht ik überhaupt over rouw spreken? Het ging tenslotte niet om een mens, een naaste, maar om een konijn, een banaal dier, dat feitelijk niet meer kon dan eten, slapen, springen, en de kaften van mijn boeken opeten? Ik lag in conflict met mezelf. De dood van Lodewijk als zuiver gebeuren nam me in beslag, maar tegelijkertijd woog de meta-vraag door naar de aard en de gepaste omvang van mijn verdriet. Dat maakte dat ik naar mijn gevoel Lodewijk op korte tijd tweemaal verraden had: vooreerst omdat ik niet kon voorkomen dat hij op driejarige leeftijd veel te vroeg stierf, en vervolgens omdat iets onbekend in mij zijn offer niet volledig ernstig nam, of kon of mocht nemen. Ik relativeerde mezelf, en vond het vreselijk. Want maakte Lodewijk geen volwaardig onderdeel uit van die microkosmos, op de eerste verdieping in de Gounodlaan? Vormde hij ergens niet, als eerste grote aankoop met Marie, een soort levend bewijs van een gezamenlijk engagement in de tijd? Leerde Lodewijk, die bezoekers huppelend doorheen het appartement gidste, mij niet het kalme plezier van klein huiselijk geluk? Ja, toch? Overigens (estheet als ik ben) vind ik vier sowieso een mooier getal dan drie, want als eenheid is het af, symmetrisch en vol symboliek; alles van waarde en wat het leven overzicht en richting geeft, komt met vier: de jaargetijden, de windstreken, de evangelisten, de elementen: wind, vuur, water, aarde. Diezelfde aarde waarin konijnen holen maken voor bescherming en voortplanting, en waarin Lodewijk begraven ligt –daarom is het zijn element, zijn materie, zijn component, en zijn wij gedegradeerd tot de rest: tot een bestaan bovengronds.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *