‘Deze eeuw gaat me moeilijk af’

Maarten Goethals in een maandblad. Hoe kan dat nou? Hoe komt hij erbij? Dat waren enkele vragen die wij de journalist en schrijver zelf hadden willen stellen. Maar de Jongeling had geen tijd. Hij schreef aan de beheerder van deze blog: ‘Ik heb niet veel tijd en bovendien heb ik een mediastilte ingelast tot Kerstmis. Ik wil mijn 25ste verjaardag op een serene manier voorbereiden.’ Maar hij is wél zo vriendelijk per kerende post een voor deze blog exclusief een artikel te sturen, waarin Maarten Goethals zichzelf interviewt.

Maandag 20 december. Een dag voor het officiële begin van de winter. Maar buiten liggen de straten en daken bedekt onder een dik, donzig tapijt van sneeuw. Een geluidsmuur, zo lijkt wel. Want Brussel zwijgt. Misschien omdat het vliegveld van Zaventem door de hevige weerstormen lam ligt, net als het openbaar vervoer. Of komt het door het plotse nieuws, vroeg op de ochtend die dag: vrouw op straat doodgestoken. 29 messteken brutaal in de rug en in de keel. In Schaarbeek, waar ook Maarten Goethals woont. ‘Je staat ’s morgens op, was je, eet een boterhammetje als vanouds. Je gaat naar het werk, piekert over wat je zult moeten doen. En dan stuik je bloedend neer. Omdat…Waarom eigenlijk?’ Hij weet het niet. Niemand.

Netwerk van terroristen

‘Schaarbeek is een vreemde gemeente. Een beetje een schizofrene klant,’ vertelt Goethals, die er sinds juni woont en samen met drie vrienden een appartement huurt van een Russische handelaar in goud. ‘Aan de ene kant heb je het gevaarlijke deel, waar iedereen het mee associeert. Downtown Schaerbeek, crapuulbuurt van Brussel. Netwerk van terroristen. Drugs, wapenhandel, Albanese en Russische maffia, jongerenbendes. Dat soort nare dingen. Hetzelfde wordt ook gezegd van Molenbeek, Sint-Joost-ten-Node of Anderlecht. Die moord nu, soms zou je het nog geloven.’

Toch vlucht Goethals niet in bitter, naar eigen zeggen al te makkelijk cynisme. Daarvoor is Schaarbeek te complex. ‘Dat is die andere kant van haar. Je vindt hier een Vlaanderen van dertig, veertig jaar geleden. Waar de mensen nog buiten leven, samen op café gaan. En ook: de vele kleine kruideniertjes, de slagers, de bakkers van allochtone afkomst me hun veel te zoete gebakjes. Die ambacht. Het doet me denken aan de typische Vlaamse middenstandscultuur van de vorige eeuw. Kinderen en jongeren die hun plaats afstaan als oudjes de bus of de tram nemen. Elementaire waarden. Plots zijn die terug.’

‘Niet dat ik het foute dat gebeurt, minimaliseer. Integendeel: er loopt kwaad volk rond dat hier niet thuishoort. Het blijft tenslotte een hoofdstad. Maar laten we evenmin het tegendeel vergeten: in Schaarbeek krijgt de multiculturaliteit –of wat daar voor doorgaat– dagelijks vorm. De meeste mensen, mannen, vrouwen, jongeren of ouderen, zijn in wezen in hetzelfde geïnteresseerd: een eenvoudige vorm van geluk.’

‘Trots, dat mist onze gemeente.’ Goethals wijst in dat opzicht op al die grote Belgische figuren die een band hebben met Schaarbeek: de zangers Jacques Brel en Raymond van het Groenewoud, de surrealistische schilder René Margritte, de politicus Paul Henri-Spaak. ‘We hebben opnieuw een figuur nodig die tot de verbeelding spreekt, en waar de gehele gemeenschap zich in kan herkennen. (Stilte) Gemeenschappelijke bewondering, zoiets,’ aldus de ingeweken Brusselaar.

‘Schaarbeek is een vreemde gemeente. Een beetje een schizofrene klant.’

 

De andere

Het woord is al gevallen: multiculturaliteit. Samenleven tussen het zelf en de andere. ‘Maar laten we die andere niet al te exotisch opnemen, net als het zelf overigens’ zegt Goethals. Hij verwijst tijdens het gesprek meermaals naar denkers als Emmanuel Levinas, Martin Heidegger, George Bataille en dichter bij huis de Leuvenaar Rudi Visker –een overblijfsel van zijn opleiding filosofie. ‘Die vier hebben elk op hun manier de relatie van het ik tot de andere geproblematiseerd. Heidegger ontnam de andere het recht van bestaan teneinde het zelf te waarborgen. Levinas gaf de voorrang aan de andere tot treurnis van het zelf. Bataille wiste elke verschil tussen de andere en het ik uit in de orgiastische beleving. En Visker? Die stelt dat de terreur in het Zijn van het zelf is verankerd en daarom –kort door de bocht– niet overweg kan met al het andere. Want de mens is zichzelf te veel.’

Maar het dagelijkse leven is volgens Goethals een beetje van dat alles tegelijk. ‘In ons banale, naïeve doen, kennen we de andere tot een bepaald niveau zonder dat hij zijn anderheid verliest.’ Als voorbeeld geeft de in Brugge geboren schrijver de levenswandel van zijn Schaarbeekse buren om de hoek. ‘Een jong Marokkaans koppel, met twee kindjes die hier geboren zijn,’ schetst hij. ‘De man en vrouw werken; hij voltijds, zij parttime –om meer thuis te zijn. De vrouw draagt een hoofddoekje, de man traditionele kledij als in zo’n lang kleed, en een potje op zijn bebaarde kop. Kledij als eerste differentiatie tussen hen en mij –om een bepaalde reden ook de eerste kiemen van vijandigheid. Waarom geen spijkerbroek en een simpel truitje, vraag je jezelf af. Iets van de H&M? Gelijk ons?’

Maar die kwade gevoelens worden teniet gedaan door hun al te menselijk, herkenbaar gedrag. ‘Ik zie ze dagelijks in de winkel de prijzen vergelijken, met de reclameblaadjes in de hand, op zoek naar de meest voordelige koopjes,’ verduidelijkt Goethals zijn eigen gevoelens. ‘Ik weet bijvoorbeeld ook dat ze sparen voor een ‘nieuwe’ tweedehandsauto. Net gelijk zoveel jonge koppels die krap bij kas zitten. Los van religie of afkomst: in wezen koesteren we allemaal de middelmaat en een leven zonder al te veel problemen.’

En toch. Er is weldegelijk een verschil, maar één dat volgens Goethals niet in woorden te vatten is. Een difference aan gene zijde van de taal. ‘Meer precies het moment waarop mijn buren hun deur dichttrekken en zich onttrekken aan mijn blik. Vanaf dan blijf ik in het ongewisse. Want wat zich achter die gesloten deuren afspeelt, kan ik alleen maar raden. Dat onprettige niet-weten fantaseer ik vol met religieuze connotaties. Ze zijn anders, zeg ik mezelf gemakshalve voor, omdat ze islamitisch zijn. Of omdat ze uit een vreemd land komen, en er dus ook vreemde gewoontes op moeten nahouden, zoals eindeloos veel thee drinken, vreemde spelletjes spelen, naar slechte programma’s kijken, supporteren voor obscure groepjes, nooit vertaalde boeken lezen… Of –en dan speelt het plots wel een rol– omdat ze een kleurtje hebben. Ik zoek dus het eerste het beste tastbare waar mijn nieuwsgierigheid zich aan kan vastklampen. Waarom? Omdat de angst voor het ongewisse erger is dan de vrees voor het ‘gekende’. Zo simpel.

Ongestoord gaat hij verder. Bijna docerend. Een beetje pedant zelfs. ‘We vergeten de angst voor de onvatbaarheid van onze eigen ziel en lichaam, door die te verleggen naar het zichtbare andere van de andere. De andere als projectiescherm voor het onbekende aan onszelf, en dat zonder die andere van zijn vreemdheid te ontdoen. In het duister elkanders broeder. Jij en ik? Eigenlijk verweesde tweelingen in het moederlijke Zijn.’

‘De multiculturaliteit is daar een hedendaagse variant op,’ analyseert Goethals naar eigen zeggen maar een beetje lukraak. ‘Want het is niet dat we vroeger onze blanke buren beter kenden dan onze Marokkaanse vrienden vandaag. Alleen lijken we dat te zijn vergeten. Waaruit we kunnen concluderen dat de verschillen tussen het ik en zijn ‘blanke’ en ‘autochtone’ medemens zijn vervlakt. We hebben aan diepte ingeboet, wij Westerlingen onderling. De ‘allochtone’ inwijkeling, zonder dat hij het zelf al te goed beseft, dwingt ons echter terug de diepte in te gaan.’

‘Er zijn soms van die momenten dat ik het gevoel heb thuis te zijn in deze wereld –bijvoorbeeld wanneer ik ’s nachts naar het Atomium kijk.'

Naïef en dom

Wie in zijn rommelige kamer staat en door het raam naar links kijkt, ziet de negen roestvrije stalen bollen van het Atomium. ‘Er zijn soms van die momenten dat ik het gevoel heb thuis te zijn –bijvoorbeeld wanneer ik ’s nachts naar dat verlichte monument kijk. Dan steekt het waanidee al snel de kop op dat ik de wereld aankan. Hopeloos naïef en dom. Daar  niet van. (Wacht even) Maar bevorderlijk voor de kritische zelfblik is iets anders.’

Waarom dat een nadeel is? Goethals: ‘Je krijgt het gevoel dat de werkelijkheid al te simpel is, en volgens veel te heldere wetmatigheden fungeert. Waardoor we vergeten dat achter elke wetmatigheid nog één vraag overblijft: vanwaar komt die wet? Wie of wat houdt die in stand? Neem bijvoorbeeld de zwaartekracht. Die komt in alle mogelijke universa voor, als een soort oermanifestatie van het Zijn. Hoe is dat mogelijk?’

Het Zijn, het zijnde in de vorm van een wet, dat verschil daartussen. Weeral die Heidegger, filosoof ook van de historiciteit. ‘Niet dat ik hem begrijp, maar je kunt, zoveel jaar na het verschijnen van zijn meesterwerk Zijn en Tijd, nog altijd stellen dat de mens het gevoel van Zijn al te vanzelfsprekend neemt. De geborgenheid van deze, die we vergeten door het valse besef dat de mens vooreerst een lichamelijk zijnde is, is hem al te evident.’

‘Zelf weet ik niet wat ik moet met dat inzicht –wat net een symptoom is van de ziekte,’ vermoedt Goethals. ‘Maar als je er toch over nadenkt, verplettert het je. Dan komt de werkelijkheid te dicht, en moet je afstand nemen. Tenminste als je niet verlamd wil raken. De remedie? Slapen, of dichten: één van de twee, of beide.’

Goethals: ‘Probleem echter is dat onze generatie geen dichters meer kent, en dat de Lage Landen niet bepaalt bulkt van groots, nog levend talent. Veel van de poëzie die nu geschreven wordt, is ondermaats en onbezield. Dat komt omdat ze zich letterlijk blind staart op het dagelijkse. De dichters raken niet verder dan het eerste gevoel, de spontane tinteling, het oppervlakkige sentiment. En die fascinatie voor het dagelijkse verwoorden ze dan ook in een dagelijks taalgebruik, met af en toe een kromming. Ze stemmen het medium af naar de intensiteit van hun gedachten. En die zijn vluchtig, nietszeggend, allesbehalve boeiend, want overstijgen het niveau niet van wat puberaal gemijmer. Net gelijk dit interview. (Lacht)’

‘In mijn ogen moet poëzie gaan over dat ontologisch verschil van Heidegger. Poëzie moet het Zijn vatten door het in verwrongen categorieën van het zijnde te verwoorden. In de scheuren die deze beelden in onze beleving forceren, moet het Zijn naar buiten sijpelen als pus. Pas als we het zijnde openbreken via de taal, komen we tot het zijn –en zo tot waarachtigheid. Op zijn minst een moedige houding. Maar misschien is dat psychologische gereutel over het eigen, het kleine wel en wee het enige waartoe onze ondefinieerbare generatie in staat is. Armoe troef. Net als het werk van hun grote inspirator, Cees Buddingh. Wat een lul, zeg.’

Michel Houllebecq en de fascinatie voor het eigen lichaam.

De jeugd van tegenwoordig

De jeugd, zijn generatie, hij spreekt er smalend over. Hautain zelf, arrogant en misprijzend –alsof hij er niet wil bijhoren. Dat distantiëren, is dat een vorm van tienerachtig zoeken naar een identiteit: ik ben wie zij niet zijn, zoiets? ‘Onbewust misschien,’ geeft Goethals cynisch toe, terwijl hij nonchalant in zijn fris gewassen haar krabt. ‘Maar weet je (leunt ongemakkelijk achterover): onze generatie is kind van de wetenschappen. Daarmee bedoel ik dat we al duizendmaal ontleed zijn door duizend verschillende wetenschappen. De verrassing is er een beetje af. Het is allemaal gekend: wat en hoe we denken, hoe we reageren, hoe we leven, hoe we omgaan met elkaar, wat we graag willen en wat niet… Omdat de positieve, de sociale, de pedagogische wetenschappen, en noem maar op, intussen allemaal hun zegje over ons hebben gedaan. Ik zie overal om me heen –incluis mezelf– wandelende wetmatigheden. Wij zijn de eerste generatie die volledig in kaart is gebracht.’

‘En het erge: dat stoort ons niet,’ klinkt het stilletjes verbaasd. ‘Daarom dat deze eeuw me zo moeilijk afgaat. Omdat ik mezelf zo makkelijk afkan, terwijl het leven toch niet zo eenvoudig kan zijn? Niet toch? (plots in overdrive) De hoop dat er ooit een dag komt dat we alles zullen weten, is gevaarlijk. Want deze hoop stelt het donkere in deze wereld voor als een op te lossen probleem, als iets dat verlicht kan worden door de menselijke rede. Maar ondertussen vergeten we dat het leven nood heeft aan schaduw. Om af te koelen, want anders verbranden we ons aan de hitte van de zon. Als Nietzsche ons iets kan leren, dan is het wel dat het leven momenten kent van amorele onhistoriciteit en aardse duisternis die de wetenschappelijke beleving doorbreken. En gelukkig maar. Want nieuw leven ontstaat enkel maar – naar zijn eigen woorden– uit een dode zee van nacht en vergetelheid.’

Wat Goethals in één ruk brengt tot Houellebecq. Diens schandaalroman Elementaire Deeltjes sluit naadloos aan bij Goethals’ betoog. ‘Die wezenlijke capaciteit tot onhistoriciteit hebben we massaal verleerd. Omdat de cultus van het lichaam en de jeugd ons heeft bevangen. Meer dan vroeger is het lijf een goddelijke tempel geworden, waar we onze ogen niet vanaf kunnen houden. De zonde oogt zo aardig. Maar hoe harder we kijken, hoe dichter we op de tijd zitten. Want de rimpels, de vetplooitjes, de kwalijke geurtjes zijn materiële inscripties van een voorschrijdend tempo naar een toekomst die we steeds meer gaan haten. We vrezen de tijd; we koesteren daarom de jeugd. En in plaatst van de tijd met de gepaste middelen aan te vallen –het kunnen vergeten, universele kunst maken– voeren we in plaats een schijnaanval uit. We behandelen het symptoom, niet de ziekte. Want wat is plastische chirurgie meer dan een materieel pogen de tijd te ontkennen? Of heel die stupide hang naar nostalgie bij de jeugd? Dat is toch niet meer dan op een goedkope manier terug kind te zijn?’

Om dan te besluiten: ‘Misschien is er een periode aangebroken waar het Zijn eventjes genoeg heeft van zijn egale zelf. Wat de fundamentele verschillen tussen jij en ik, tussen het zelf en de ander zou verklaren, en die met geen wet inzichtelijk te maken zijn. Maar daardoor vergeten we dat we in wezen allemaal hetzelfde zijn: een alibi voor een georkestreerde zijnsvergetelheid. En dat zou wel eens onze redding kunnen zijn.’

(Idee en inleiding geïnspireerd naar Gerard Reve)

Een gedachte over “‘Deze eeuw gaat me moeilijk af’

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *