Dwarsfluit

Wie wint dit jaar de Koningin Elisabethwedstrijd voor viool? Een van de Aziaten? De Amerikaan? Iemand van het Europees continent? Het Oostblok? 

Geen idee. En ik laat de proclamatie vanavond ook aan mij voorbij gaan. De uitslag kan me gestolen worden. Waarom? Niet uit barbarij of een nationalistisch ressentiment omdat geen enkele Belg doorstootte naar de finale. Maar uit nijd. Uit pure, onversneden jaloezie.

De kandidaten presteren iets wat ik namelijk nooit of te nimmer zal kunnen: het sublieme afdwingen dat sprakeloos maakt en verbijstert. Uit simpele attributen als hout en vier eindjes schapendarm een breed spectrum aan metafysische dieptes en hoogtes puren: alleen een geniale zot met snelle vingertjes vermag het moeiteloos.

En ik vermag zelf ook het een en ander, maar een genie ben ik niet, en al zeker niet op muzikaal vlak. Na jaren jeugdconservatorium en honderden uren dwarsfluit kon ik op mijn beste niveau hoogstens de sinterklaasliedjes zonder missers blazen. Al de rest, al het ingewikkelde –jazz, tango, barok– mislukte faliekant, al van de eerste noot. Het bleef vaak bij getuf en getoeter.

Vandaar de afgunst. De Koningin Elisabethwedstrijd herinnert aan gefnuikte ambities. Ik wil op dat podium staan; ik wil het publiek in vervoering brengen. Vandaar ook mijn keuze destijds om helemaal te stoppen en mijn instrument op te bergen en nooit meer boven te halen. Omdat na muziek stilte het dichtst bij het onzegbare komt.

Althans, dat zei mijn lerares dwarsfluit toch iedere keer.

 

(Deze tekst verscheen eerder in De Standaard)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *