Essay – De single: het einde van de mensheid

‘Mijn overtuiging dat ik werkelijk geen kinderen wil en dat alleen wonen beter werkt dan met twee samen, wordt altijd minnetjes en op ouderlijk ongeloof onthaald’, schrijft de Brusselse journalist en dichter Maarten Goethals. In dit essay verklaart hij waarom de single nog steeds ‘een vriendelijke maar te duchten rariteit is in onze contreien’.

Op ieder familiefeest, telkens dezelfde drie vragen.

Nog niet ontslagen?
-Niet dat ik weet.
Al een rijbewijs?
-Mee bezig.
En, een lief?
-Nope.

En dan altijd die éne nonkel of neef die, steevast met een halve pint in de hand, in de lach schiet nog voor hij zijn grap vertelt. “Toch geen homo zeker?”

De single in onze contreien? Nog steeds een vriendelijke rariteit. Een afwijking in een samenleving die voortbouwt op het fundament van het kerngezin. Maar hoe komt dat toch, dat intrinsiek, diep ingesleten wantrouwen tegen de alleenstaande; vanwaar dat halsstarrig weigeren om rekening te houden met diens doorgaans beperkte noden?

Want laat wel wezen, op verschillende vlakken zit de single in het verdomhoekje. Fiscaal geniet hij beduidend minder voordelen dan een familie met kinderen, ook lenen bij een bank blijkt minder evident, waardoor hij op de woningmarkt zijn keuze drastisch ingeperkt ziet. En politiek lijkt de single eveneens een makkelijk doelwit, want electoraal onbeduidend en ongevaarlijk – met als laatste wapenfeit dat gedrocht van een Turteltaks, dat singles koud en liberaal en Vlaams in de kakker pakt.

Dus, nogmaals, vanwaar die totale, structurele onwilligheid om de single tegemoet te komen? Uit jaloezie misschien – de alleenstaande immers als compromisloos figuur, die zich niets laat ontzeggen, terwijl de overgrote meerderheid wél inbindt? Of eerder uit angst en achterdocht? Omdat de eenzaat, in zijn arbitraire radicaliteit, het einde van toekomst inluidt? Ik vermoed dat laatste.

Een bedreiging van de soort
De single, en zeker diegene die doelbewust kinderloos blijft, incarneert en herinnert aan (zo luidt mijn stelling) de eindtijd. In hem stopt de geschiedenis; in hem staakt, van de ene op de andere generatie, een lange lijn van bloed en genetisch materiaal. Al die gedane, ondergane moeite, al die opofferingen van vele voorvaderen en ouders? Plots achterhaald, plots zinloos gebleken. Niet waard blijkbaar om verder te zetten. Achteraf gezien: pure verspilling van middelen en energie.

Enigszins grotesk geformuleerd, maar bij de ongetrouwde, kinderloze alleenstaande lost de tijd op. Hij zet de tijd niet verder in de vorm van nageslacht. Om Arthur Schopenhauer te parafraseren: hij breekt bewust met de anonieme, metafysische wil die alles voortstuwt en omgeeft. Als een schikgodin (in de Griekse mythologie wellicht niet toevallig voorgesteld als drie maagden van krengen) knipt hij op eigen houtje de draden met de toekomst door – en lijkt dat nog amusant te vinden ook. Zijn immanente daad van verzet is zand in de motor van een transcendente machinerie, die maar één ding wil: vooruit gaan.

De bewust kinderloze enkeling houdt dus het voortrazen van de materialiteit tegen; in hem kantelt het menselijke bewustzijn in de vergeetachtigheid van een verstilde werkelijkheid. In hem verdort het rijke leven tot woestijn. Zijn cassant credo: na mij niets meer – zelfs geen déluge, want hij ís simpelweg de zondvloed. Voor alle duidelijkheid: niet zozeer de particuliere single vormt een (fysieke, culturele) bedreiging voor het menselijke voortbestaan maar wel zijn levensstijl, eenmaal consequent beleden en wijdverspreid gepropageerd. Als soort, als type valt hij te vrezen.

En dat gebeurt ook, door verschillende stromingen en geloofsovertuigingen. Voor christenen is de single diegene die zich blasfemisch onttrekt aan de goddelijke opdracht tot vrome vermenigvuldiging, een eis schijnbaar verankerd in de menselijke biologische constitutie. Het natuurwetsdenken en Thomas Van Aquino zeggen hem bijgevolg weinig. Voor Darwinisten staat hij voor het individu dat weigert te mee te werken aan het overleven van de stam en de groep waartoe ie behoort. En volgens de logica van het kapitalisme verwerpt de alleenstaande het idee van altijd meer en groter en beter – hij heeft immers aan zichzelf genoeg (wat niet betekent dat hij niet hongert naar luxe of moderne spulletjes; maar de kardinale gedachte dat het materiële en dat bezit het hoogste goed is, deelt hij niet).

De single: niet te vertrouwen

maarten goethals

(© Ivan Put)

 

Ethisch gezien valt hij bovendien moeilijk te typeren. Omdat hij zonder de andere kan leven, lijkt hij onaantastbaar, onwrikbaar, niet vatbaar voor een moraal die begint bij de medemens, zoals Emmanuel Levinas die midden vorige eeuw uitdacht. Ten diepste lijkt de single iemand die geen fundamentele verantwoordelijkheid wil opnemen – niet tegenover een andere man of vrouw, niet tegenover de toekomst, niet tegenover de samenleving in al haar vormen en bekommernissen. Want waarom zou de single zich druk maken over de opwarming van de aarde als hij kinderloos blijft? Zijn niet-bestaande kroost gaat van dat ongemak toch nooit last ondervinden. Waarom zou hij niet blijven rijden met de wagen en de lucht vervuilen, waarom niet urenlang blijven douchen en water verspillen, waarom niet blijven consumeren als zot en de aarde als een sinaasappel tot de laatste druppel uitpersen? Na hem leeft toch niemand verder waarmee hij een specifieke band deelt, niemand die namens hem het hoge woord voert, en die zijn stamboom verderzet en zijn eer verdedigt.

De eenzame, die sinistere solipsist, valt in die zin niet te vertrouwen – althans, dat lijkt het onderliggende gevoel wel. Zijn levensstijl jaagt zijn omgeving de stuipen op het lijf, omdat hij autarkisch en autonoom in het leven staat, ongeïnteresseerd de andere laat schieten, en bestand blijkt tegen de gezellige, plakkerige warmte van het mystieke lichaam dat bijvoorbeeld een gezin vormt – in extenso: de gehele samenleving.

Door alleen te blijven, zonder tegenpartij, zonder natuurlijk nageslacht, doet hij uitschijnen dat hij op verschillende niveaus het evidente wantrouwt; hij hekelt de eendracht, de samenhorigheid, de wederzijdse afhankelijkheid – kortom, de structurerende, constituerende betekenis die de andere aan het zelf geeft; hij stapt niet mee in de logica dat het vreemde, het exterieure (in de figuur van de verleidelijke vrouw, de moeder, de minnaar, het gelaat van de andere) eigenlijk het eigene stut. Die afhankelijkheid gaat hem te ver – en om die teniet te doen, is hij zelfs bereid (letterlijk) een prijs te betalen: het trotseren van een vijandig gezinde samenleving die de minste moeite onderneemt om hem ter wille te komen.

De single, de Marokkaan, de neger
Voor alle duidelijkheid: de maatschappij ziet niet alle alleenwonenden en eenzaten als een bedreiging. Sommigen kunnen rekenen op clementie: de sukkelaar bijvoorbeeld die alleen blijft door lelijkheid, door ziekte of pech, de single dus geconfronteerd met overmacht. Of de kluizenaar met bijna goddelijke, mythische opdrachten, zoals de priester en de profeet, of de kunstenaar, die in zijn verward hoofd in de nabijheid vertoeft van de Muzen. Die krijgen een aparte, hoog aangeschreven status, omdat ze de maatschappij elk op hun manier kneden, leiden en vormen. Diegene die echter moedwillig en bewust voor een leven alleen kiest en niet over bijzondere gaven beschikt om het gebrek aan vitalistische ambitie te compenseren, verdient alle mogelijke tegenkanting – minstens spot en hoon op familiefeestjes.

In die zin lijkt de alleenstaande op de Marokkaan, de Berber, de neger in onze samenleving: hij die wordt gezien als een bedreiging voor de goede zeden, voor de moraal, voor het voortbestaan – de eenzame ook als sjacheraar van een existentiële zinloosheid. Misschien daarom dat hij, net als alle andere verschoppelingen, zo goed gedijt in Brussel. In onze grootstad, waar één op twee alleen woont, voelt hij minder de algemene drang tot voortplanten en samenhokken; de metropool deint toch vanzelf uit.

Levenslang geringeld, levenslang gesjareld
‘Ah, ge gaat wel nog veranderen’, zegt altijd wel een familielid troostend, goed bedoeld. ‘Ge zijt nog jong, wacht tot je de liefde vindt, dan gaat ge anders piepen.’ Mijn overtuiging, dat ik werkelijk geen kinderen wil en dat alleen wonen beter werkt dan met twee samen, wordt altijd minnetjes en op ouderlijk ongeloof onthaald, ondanks herhaaldelijke pleidooien van mijn kant. Ik, de rebelse puber blijkbaar.

En toegegeven, die monolieten overtuiging, die werkelijk iedereen lijkt te delen, doet me soms zelfs twijfelen. Misschien ben ik de naïeveling wel en weet ik niet beter? Misschien moet ik effectief nog de liefde van mijn leven tegenkomen? Misschien moet ik gewoon durven, de sprong wagen, mezelf in het tedere ongeluk storten? Misschien. Misschien ook niet. Maar als ik dan toch tuimel, laat het requiem, waar het leven en de liefde altijd op uitdraait, minstens gespeeld worden door een mooie pianiste.

 

(Deze tekst verscheen eerder als bijdrage in Brussel Deze Week)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *