Hondenpoep

Johan Vande Lanotte, burgemeester van Oostende, zet de grote middelen in tegen hondenpoep. Geen gering probleem aan de badstad, zo blijkt. Elke dag moeten de ordediensten zeker negentig drollen opscheppen om het beetje ordentelijk te houden. Op jaarbasis geeft dat een totaal van meer dan dertigduizend exemplaren. Een shitload aan shit dus.

(Tussen haakjes, diarree is werkelijk een merde om los te schrapen van het voetpad.)

En omdat de mesthoop niet naar Mohammed komt, zet Vande Lanotte (in de rol van op properheid gestelde profeet) dan maar de eerste stap. En wat voor één? Zo wil hij hondeneigenaars met schijt aan respect voor de publieke ruimte, opsporen via DNA-analyses van de dierlijke feces. En een heus cameranetwerk rond speelpleintjes moet ontmoedigen om de viervoeter nog langer vrij te laten lopen. En wie zonder zakje op stap gaat en uitwerpselen laat liggen, kan, indien op heterdaad betrapt, een boete krijgen van duizend euro.
Om maar te zeggen: dure kak.
Om maar te zeggen: Orwelliaanse kak. Niet alleen de burgers maar ook de dieren moeten onder het dictaat komen van totale zichtbaarheid en schuldig-bij-voorbaat-zijn.
En toch denk ik niet dat Vande Lanotte voortaan in een excrement-vrij Oostende gaat kunnen kuieren. Er zal altijd wel een geurtje rond hem kleven, een gevoeg op de golven blijven drijven.
Waarom? Hoogmoed. En superioriteit. Veel hondeneigenaars kopen een beest om het plezier van dat beest te trainen, af te richten, in de pas te laten lopen. Met het in huis halen van een dier, met het temmen van het wild karakter ervan, bevestigt de mens zijn hogere, zelfbewuste positie in de evolutie der dingen. Een trekkend gevaarte braafjes aan de lijn leren lopen, geeft een merkwaardige voldoening van macht. Een hond met één blik, één vingerknip, één woord laten zitten, pootje geven, doen verstijven van angst, zelfs al gaat het om een chihuahua, doet megalomaan aan. In het diepst van zijn gedachten is elk baasje autoritair.
Geheel en volledig doordringen van dat feit gaan bepaalde eigenaars zich daarom (letterlijk en figuurlijk) echt niet verlagen om stront op te rapen –want die drollen nivelleren namelijk alle gekoesterde, door domesticatie in stand gehouden verhoudingen tussen mens en dier, tussen meerdere en mindere. Want kak stinkt altijd, maakt niet uit welk levend organisme die legt. Kak voelt altijd vies aan, los van de afzender. Kak wijst altijd op kwetsbaarheid, want komt van etensresten, en alle wezens op deze planeet moeten zichzelf voeden om te overleven.
De uitwerpselen van de eigen hond herinnert het hardleerse baasje daarom aan wat hij, in al zijn arrogantie, eigenlijk wil vergeten: dat ook hij, ondanks zijn poging tot dominantie, een kakmachine blijft, onderhevig aan de wetten van de natuur en de spijsvertering, en dat hij eigenlijk in niet veel verschilt dan wat hij (symbolisch via de hond) tracht te temmen: één brok rauwe, arbitraire, armzalige natuur.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *