Katharina Stabenow, kinderarts: ‘Religie begint waar geneeskunde stopt’

Katharina Stabenow, columnist bij de Artsenkrant en werkzaam op de pediatrie-afdeling van UZ Brussel, verlaat de hoofdstad en trekt naar Aken. “Armoede, analfabetisme, anderstaligheid: wie hier begint, kiest niet bepaald voor de makkelijkste weg.”

“Soms, tijdens heel moeilijke momenten, wil ik mezelf verstoppen en wenen in het donker. Omdat ik niet wil aanvaarden hoe onrechtvaardig de wereld lijkt. Maar dat staat in balans met de goede zaken die ik als kinderarts kan verrichten. Zeker als het lukt om een peuter helemaal te zien opfleuren: van bijna dood tot springlevend bij het verlaten van het ziekenhuis.”

Katharina Stabenow (30) kent, ondanks haar relatief jonge leeftijd, de pediatrie-afdelingen in de Brusselse ziekenhuizen vanbinnen en vanbuiten. Ze liep stage in verschillende instellingen, van Sint-Anna Sint-Remi in Anderlecht tot Medisch Centrum Edith Cavell, van UMC Sint-Pieter tot UZ Brussel, waar de moeilijkste en de meest complexe ziektebeelden binnen­komen.

Maar na vijf jaar specialisatie trekt ze in september naar Aken. Opmerkelijk, omdat Stabenow geldt als correspondent voor de Frankfurter Allgemeine Zeitung, en mijn moeder voor de Europese instellingen, net zoals mijn broer. Die context – van een Duitstalige familie in een Vlaamse cultuur ingebed, en alle dualiteiten die daarmee gepaard gaan – kwam mij nadien handig uit op de werkvloer, waar ik met allerhande verschillen in contact kwam. Met afwijkende gewoontes opgroeien, maakte me open.

Geen overbodige luxe in het diverse Brussel.
Stabenow: Die diversiteit maakt het interessant, maar tegelijkertijd ook niet evident, en zeker niet als beginnende arts. Wie kiest voor Brussel, kiest niet bepaald voor de makkelijkste weg.

Vond u het een harde confrontatie, al die culturen, al die diverse sociaal-­economische profielen?
Stabenow: Rationeel gezien wist ik wat er kwam. Maar de praktijk komt toch altijd harder binnen. Zeker wat armoede en wat sommige schrijnende sociale situaties thuis betreffen. Mijn hart breekt bij al die mensen die hun medicatie niet kunnen betalen. Ik let op wat ik voorschrijf, omdat niet alles terugbetaald wordt. Maar ik moest dat leren aanvoelen, door ernaar te vissen zonder de mensen te generen.
Dat is trouwens ook de groep die, geremd door financiële angst, vaak te lang wacht om medische hulp te zoeken.

Anderen daarentegen …
Stabenow: … rennen bij het minste naar de spoeddiensten. Terwijl dat vaak helemaal niet hoeft en terwijl de huisarts de vaste spil moet vormen. Maar door een patiëntenstop op vele plekken in Brussel, en omdat de eerstelijnszorg niet in alle wijken even performant uitgebouwd is, vormt spoed een alternatief. Iedereen die binnenkomt, krijgt een arts te zien. Maar eigenlijk vormt dat voor de samenleving de duurste manier van werken.

Waarom koos u voor pediatrie in de eerste plaats?
Stabenow: Toevallig eigenlijk. Ik liep, toen ik nog studeerde aan de VUB, stage op een kinderafdeling en toen sprong de vonk ineens over. Een wereld ging voor mij open. Ik vind kinderen als patiënten ook fantastisch. Zoveel anders dan volwassenen. Enerzijds door het brede aspect aan profielen: van de jongsten, tot de schoolgaande jeugd, tot de pubers. Anderzijds vind ik ze veel makkelijker om mee te werken: ze kunnen doorgaans heel goed uitleggen wat er misgaat, en waar ze precies pijn voelen.
En het gaat om meer dan een kind genezen, het gaat om een hele toekomst veiligstellen.

Die vele culturen die uw afdeling passeren: maakt het dat niet moeilijk om te werken? Om ieders gevoeligheid te kennen?
Stabenow: Dat is dubbel. Een arts zoals ik moet inderdaad nadenken over hoe andere gemeenschappen over ziekte en gezondheid denken. Omdat sommige reacties dan aan duidelijkheid winnen. Een heel banaal voorbeeld. Ooit moest een patiëntje van mij aan de zuurstofbril wegens een infectie aan de luchtwegen. Maar de moeder, afkomstig uit de Sub-Sahara, deed dat masker telkens af, achter mijn rug. Wat bleek? Kinderen in Afrika die aan de zuurstof komen te liggen, sterven meestal. Dus de vrouw vreesde het ergste, en wilde dat voorkomen. Ik begreep haar gedrag eerst niet, werd kwaad zelfs, maar door geduldig in gesprek te gaan, werd het duidelijk en kon ik haar ten slotte geruststellen.

Sowieso: een arts moet altijd zo helder en zo eenvoudig mogelijk de dingen uitleggen, zodat iedereen het begrijpt en niet aan het fantaseren slaat. En in Brussel komt daar nog een grote groep analfabeten bij, of de mensen die hun school niet hebben afgemaakt en met moeite kunnen lezen.Ik ontwikkelde een extra voelspriet voor die categorie. Het zijn de kleine zaken waaraan ik het merk: wanneer ik hen vraag hun naam te spellen, geven ze mij hun identiteitskaart. Dan weet ik genoeg.

Moet een arts met culturele gevoeligheden rekening houden, of prevaleren de feiten, hoe tegengesteld ook met bepaalde opvattingen?
Stabenow: Een arts handelt altijd in het belang van zijn patiënt. Dus moet ik maken dat de ouders de behandeling ondersteunen, en overtuigd raken van mijn plan van aanpak. En toegegeven, dat lukt niet altijd. Ik spreek vijf talen, maar als de ouders Arabisch hanteren, dan wordt het moeilijk voor mij. Gelukkig kan een collega inspringen, en lukt het zo om het vertrouwen te winnen. Hoe dan ook blijft het voor ouders een bevreemdende ervaring om het lot van je kind van vreemden en van machines te laten afhangen.

Botst u tegen het onbegrip van religies aan?
Stabenow: Soms. Soms niet. Er valt geen rechte lijn in te trekken. Religie bepaalt hoe iemand in het leven staat, religie oriënteert, geeft een antwoord op moeilijke ethische vraagstukken wanneer de geneeskunde op de limieten van haar kunnen stoot. Bijvoorbeeld: hoe lang doorgaan met een behandeling alvorens die te staken? Reanimeren of niet? Waar ligt het uiterste punt?Belangrijk daarbij: denk niet in clichés, laat je niet leiden door je eigen vooroordelen. Iemand die een hoofddoek draagt, neemt niet per definitie extreme standpunten in. Een gelovige christen die wekelijks naar de kerk gaat, kan zich soms makkelijker verzoenen met het lot van zijn stervend kind dan een atheïst die, koste wat kost, de behandeling wil rekken in de hoop op een mirakel.

Hoe zit het met de medische geletterdheid bij ouders?
Stabenow: Dat varieert natuurlijk. En wie die geletterdheid niet heeft, googelt tegenwoordig. Wat ik, voor alle duidelijkheid, niet altijd negatief vind. Ja, ik kan mij daarover ergeren, zeker als de patiënt het beter meent te weten dan de specialist. Maar door zich in te lezen, denken veel mensen mee met de arts. Door de vragen die iemand stelt, krijg ik soms duidelijk zicht op de zaken die ik nog moet verhelderen, want vaak bedraagt het tijdslot waarin ik iemand consulteer tussen de twintig en dertig minuten. Te kort om elk detail te kunnen behandelen.

Fotograaf: Bart Dewaele

Welke ziektebeeld noemt u typisch voor een grootstad als Brussel, die veel minder voorkomt in het platteland?
Stabenow: Om te beginnen: tuberculose, die via migratie uit de Oostbloklanden, de Maghreb en de Sub-Sahara vervolgens Brussel bereikt. De volwassen besmetten daarbij de kinderen. In pakweg Oudenaarde zal het veel minder snel opduiken.Een tweede klassieker, om het zo te noemen: malaria, en dan vooral na de zomervakantie.

Ik zie het vooral bij mensen die op familiebezoek gaan in Afrika en die redeneren: we gaan naar huis. En wie naar huis gaat, denkt niet dat hij of zij zich moet beschermen – want thuis staat voor veiligheid, eigenheid, geborgenheid. Soms blijken het evengoed gezinnen te zijn die langer blijven dan gepland, en bijgevolg pillen tekortkomen en het risico maar nemen. Met gevolg: zodra ze in België zijn, moeten ze naar de spoeddienst.

Wat is voor de pediatrie de drukste periode van het jaar?
Stabenow: Dat begint in oktober, november en loopt tot mei ongeveer. De pediatrische aandoeningen lopen gelijk met de seizoenen. In de winter lijden meer kinderen aan infecties aan de luchtwegen; in de zomer zijn de virussen uit de lucht verdwenen. Wat echter niet wil zeggen dat de afdelingen dan leeg liggen, verre van.

U schrijft ook columns voor de ‘Artsenkrant’. Vaak heel scherp qua toon. Uw voorlaatste bijdrage ging over de anti-vaxxers.
Stabenow: Waar ik veel feedback op kreeg.

Hoe kijkt u naar het fenomeen? U schreef: “We blijven aanbotsen tegen zinloze ziekten.” En: “Crimineel is het verspreiden van desinformatie over vaccins.”
Stabenow: Het blijft inderdaad een hardnekkig debat vol onwaarheden. Zoals het fabeltje dat een kind door een vaccin autisme kan krijgen. Klopt helemaal niet, maar veel mensen geloven dat nog. Overigens onderscheid ik verschillende groepen in dat debat. Gaande van de hoogopgeleiden, die hun eigen onderzoek op internet voerden, tot de lageropgeleiden die het voorbeeld van hun buurvrouw volgen, van wie de kinderen gezond door het leven gaan zonder vaccinaties. Gelukkig behoren de weigeraars tot een minderheid.

Hoe reageert u in confrontatie met zo iemand?
Stabenow: Ik tracht te tonen dat het wel degelijk veilig is, en dat het werkt. Sowieso niet boos worden, want dat helpt niemand vooruit. Overigens kan ik ouders ook niet uit hun ouderlijke macht ontzetten.

Op verschillende niveaus worden momenteel regeringen gevormd. Stel: u bent formateur, wat moet dan in de volgende regeerakkoorden staan qua gezondheidszorg?
Stabenow: Behalve natuurlijk meer middelen, pleit ik ervoor om de belangrijkste grootstedelijke problemen aan te pakken. Te beginnen met luchtvervuiling, want die heeft een rechtstreekse en meetbare impact op de gezondheid van kinderen, die beduidend meer kampen met astma-aandoeningen. En prioriteit nummer twee: verkeersveiligheid. Er komen gewoon te veel slachtoffers binnen, terwijl die perfect te vermijden vallen met een strenger beleid tegen wegpiraten.

Specifiek in de Brusselse context pleit ik voor gestructureerd overleg tussen de gemeenschappen en een betere informatiedoorstroming. In complexe gevallen is het niet altijd duidelijk wie de verantwoordelijkheid draagt. Een kind dat naar een Nederlandstalige school gaat, maar thuis Frans spreekt en geslagen wordt? Wie vangt dat op? Omdat de gezondheid van de patiënt vooropstaat, pleit ik voor meer flexibiliteit. Maar ik begrijp evengoed waarom sommige centra sommige kinderen weigeren, door de gelaagde complexiteit van het ziektebeeld. Niet iedereen kan een jongere opvangen met een psychologische aandoening, gecombineerd met een lichamelijke handicap en nog eens een agressief karakter. Gevolg? Die patiënten blijven voor langere periode in het ziekenhuis, tot elders een plek vrijkomt. Wat makkelijk maanden kan duren.

Zal u Brussel niet missen?
Stabenow: Natuurlijk. Het is en blijft mijn eerste grote liefde. Ik keer zeker terug. Ik zal de kinderen missen, en sommige kleine maar veelzeggende gebaren van dankbaarheid. Zoals die ene vader, een bakker, die het hele team trakteerde op koffiekoeken omdat zijn zoon genezen was. Of de dozen pralines en koekjes uit dankbaarheid. Gelukkig dat het allemaal niet blijft plakken. Het snoepgoed, bedoel ik, niet de herinneringen, die koester ik.

 

(Dit artikel verscheen eerder op BRUZZ, het Brusselse stadsmagazine)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *