Monarchie

De monarchie? Opgeblazen gedoe. Dikdoenerij. Dat dacht ik vroeger.

Een afwijzing die ik erfde van mijn vader. Prinsen, koningen en vorsten? ‘Moeten evengoed hurken en naar de pot, net gelijk gij, net als iedere mens.’ Kon ik niet tegenop, tegen die logica van lijf en leden en ontlasting.

Maar met de jaren veranderde mijn houding jegens het instituut. Dat merkte ik deze week opnieuw, bij het nieuws dat de Britse koningin Elisabeth negentig kaarsjes mag uitblazen. Ik merkte het bij het zien van haar afbeeldingen: een en al statie en gratie, dat mysterieus mondje dat zwijgend de wereld opneemt, en die gebenedijde, gebrilde blik, tegelijk onafhankelijk, tegelijk staatseigendom. Bijlange nog niet klaar om te sterven. Of te abdiceren.

The Queen: relict en imperium tot in het graf.

Hetzelfde wat het Nederlandse of het Belgische koningshuis betreft. Laat me maar betalen voor de Saksen-Coburgs, die vrolijke vorstelijke sekte.

Waarom? Omdat het haaks staat op alles wat ik aan deze tijd verfoei – een tijdperk dat droog klaarkomt op efficiëntie en zakelijkheid, dat hitsig loopt van transparantie en kostenplaatjes. Tering naar de nering, dat soort praat.

Lang leve dus dat laatste brokje barok.

En lang leve koning Filip als de mens in opstand.

Blijft de kwestie: ruikt de poep? Maakt niet uit. Mijn vader moet ook naar het toilet. Zie ik hem daarom minder doodgraag?

 

(Verscheen eerder in De Standaard)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *