Terreurdreiging

Enkele waarnemingen. Over terreurdreiging vier. Over Brussel. Over mijn domme demonen.

-Gisterenavond in de tram, van het werk naar huis. Van Vlaanderen naar Brussel. Van de periferie van het kleinste gewest van België naar hartje Europa. Een rit van een dik half uur, kruisend door Sint-Agatha-Berchem en het vermaledijde Molenbeek. Ergens middenin het traject stappen twee jongens op. Begin de twintig, wit gekleed, gespierd en vinnig, het zwarte sluike haar stijl achterover gekamd. En de huid donkerkleurig. Beiden kijken elkaar schalks aan, spreken een vreemde taal en turen dan zelfverzekerd in de tram. Te laat besef ik wat er gebeurt –ik maak me zorgen, ik vrees het ergste, ik vrees, in een fractie van een seconde, een aanslag. Uitgerekend hier en uitgerekend nu. Ik leg zo subtiel mogelijk mijn boek op mijn knieën en staar zogezegd wat in de verte, maar tegelijk hou ik de twee vanuit mijn ooghoeken in de gaten –voor het geval één zijn zak opent en de wapens bovenhaalt. Echt, ik overweeg zelfs om vroeger uit te stappen. Het zekere voor het onzekere te nemen. Mijn buik staat op springen, alsof ik meteen het podium op moet maar kamp met plankenkoorts en gierende zenuwen. Maar anderzijds, ik wil niet toegeven. De rationaliteit moet zegevieren, de rede prevaleren. Dus ik blijf zitten en stap zelfs een paar haltes te ver af –om mijn angsten en mijn domme demonen te bezweren. Om mezelf mijn ongelijk te bewijzen. Hoe ik me voel? Achterlijk natuurlijk. En vooringenomen. En verzwaard. En te laat besef ik wat is gebeurd: ze zitten in mijn hoofd, de terroristen met hun treurnis. Mijn persoonlijke oorlog kan beginnen. Ik lijk wel goed voor het zottekot.

-Alsof de aanwezigheid van leger en politie helpt. Ofwel kent het een versterkend effect op de teruggekeerde kwajongens van de Islamitische Staat: wie een geslaagde aanslag kan plegen in een streng bewaakte omgeving verhoogt zijn aanzien en prestige. Ofwel verplaatsen de terroristen hun actieradius, waar geen groene mannetjes lopen –maar op die manier missen de militairen ook hun effect.

-Ge zult maar jong en donkerkleurig zijn dezer dagen, en met een rugzak rondlopen in Brussel. Bonne chance.

-Een soldaat staat op de hoek van een straat, in de buurt van het Centraal Station. Bepakt, bezakt, bewapend; de loop van de mitrailleur naar beneden gericht. Hij ijsbeert. In de verte klinkt ineens getoeter van drie wagens. Het geluid zwelt aan; het komt dichterbij –en dan verschijnen om de hoek drie zware, zwarte wagens, fel blinkend en met witte sjaaltjes aan de spiegels. Het schelle, ritmische getromp bejubelt het huwelijksgeluk van een jong koppeltje en de getuigen in de andere voertuigen; iedereen mag het weten; iedereen moet delen. Ik zie tegelijkertijd de soldaat aan een hendeltje aan zijn wapen draaien; de vinger richting de trekker gestoken; hij volgt de wagens, kijkt naar binnen, en draait mee in hun richting. Loos alarm –maar wel alarm.

-‘Er zijn precieze aanwijzingen voor een aanslag in Brussel zoals in Parijs.’ Op een persconferentie waarschuwt premier Charles Michel (MR) de natie. Maar meer concrete details geven? Zeggen waar het gevaar effectief schuil kan houden? Geen antwoord, geen commentaar. Rien à déclarer. Ja, openbare plaatsen en druk bezochte pleinen zo veel als mogelijk links laten –maar dat kon ik zelf ook wel bedenken. Met andere woorden: er is blijkbaar een grove en ernstige dreiging maar de bevoegde diensten zwijgen als vermoord. Dit gaat ons allen aan, maar niemand mag blijkbaar het fijne weten. Moet ik eigenlijk lachen of wenen? Als ik al lach, dan wel met het politieke gezag van dit land.

-De metro rijdt niet vandaag. Net nu het sneeuwt en regent en miezert en ik naar de Europese wijk moet voor een vergadering. Een wandeling van meer driekwartier –goed voor de conditie, dat dan weer wel.

-Terreurdreiging vier. Sinds gisterenavond. Mijn reactie eerst? Nonsens. Ongeloofwaardig. Gewoon een lepe truc van de Belgische staatsveiligheid om de mensen bang te krijgen, om publiekelijk steun te verwerven voor een verhoging van het werkingsbudget.

-Brussel lijkt onbewoond. Amper toeristen in het centrum; de brede lanen leeg; de winkels gesloten; het geloei van sirenes, meer dan anders, luider gelijk anders. Ik kijk als een onnozel kalf de lucht in, speur de daken af op zoek naar sluipschutters –ik voel me vreemd bekeken; maar het maakt me bovenal kwaad. Kwaad op de lafaards die thuis blijven, kwaad op die pubers van een terroristen, kwaad op het bedekte gelaat van de militairen –kwaad dus op mensen die ik van haar noch pluim ken, allemaal abstracte identiteiten. En toch doet alles zo realistisch, zo werkelijk, zo basaal aan. Een afwezigheid voelde nooit zo dichtbij.

-Terrorisme verstart de ruimte en de medemenselijkheid.

-Blijkbaar ben ik een doelwit. Een wandelende schietschijf. Wat in godsnaam heb ik ooit verkeerd gedaan dat wildvreemden mij willen doden? Ben ik dan zo’n onaangenaam gezelschap?

-In het straatbeeld: grauwgroene gepantserde wagens. Kogelvrij. Robuuste machinerie. Het hoesje nog om het schietwapen op het dak. Niet panikeren? Het leger bewaakt mij? Dit voelt eerder als een disciplineren van het volk. Het breken van de rationele weerstand tegen overmatig machtsvertoon –en niemand ook die publiekelijk de tactiek tegenspreekt. Hoe pacifist te blijven in tijden van terrorisme?

-Maar wat als effectief een aanslag volgt? Toegeven aan de militaire manifestatie, mijn intuïtieve afkeer van geweld afzweren, moet ik dan alle naïviteit laten varen? Moet ik dan opschuiven naar de harde aanpak? Ga ik mezelf dus moeten verraden? Meer dan terrorisme mijn leven wegvaagt, verdubbelt het mijn denken, mijn gevoelens, mijn bestaan in pure schizofrenie. Ik weet niet langer wat te geloven, hoe te handelen -ik lijk alle evidenties kwijt en wil toch alle pistes openhouden.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *