Tuig

Uitschot. Tuig. Crapuul. Taal van verschillende ministers in functie. Noem me ouderwets, maar die platte, hitsige toon (over de vechtende jongeren in Blankenberge) past niet bij het ambt. Een politicus geeft op dat moment zijn morele en beleidsmatige zwakte toe, en bemoeilijkt ieder redelijk gesprek met en over die groep. Maar blijkbaar is dat het nieuwe normaal. Net zoals een grondwettelijk gecontesteerde avondklok, net zoals gemeentes die zich angstvallig afsluiten voor bezoekers, net zoals het verbieden van treinen uit doodsangst voor wat komt uit het diepe, Brusselse binnenland –alsof het om ongecontroleerde hordes gaat. Als de hitte van afgelopen weekend, gecombineerd met een maandenlange spanning door corona, één iets getoond heeft in mijn ogen, dan wel het het gezag in crisis. Het gezag van een politieke generatie die, gevangen in hun eigen middelmatigheid en -ironisch genoeg- opgejaagd door het spook van zwak leiderschap, van geen hout pijlen weet te maken, en die door hun keuze aan maatregelen (of het gebrek aan maatregelen zoals in de cultuursector) meer aan anti-politiek doen dan aan samenlevingsopbouw. Lokaal. Vlaams. Federaal. Iedereen schuldig. En het doet me zeer dat te moeten schrijven, want in mij vindt de politiek nochtans een vurige verdediger. Maar het vuur brandt me momenteel op van frustratie bij het zien en horen en lezen van zoveel gevaarlijke nonsens.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *