Vlaamse rectoren maken zich nog te weinig zorgen

Snoeien in het Vlaamse wetenschapsbudget vinden de universiteiten onverantwoord en nefast voor de economische ontwikkeling van Vlaanderen als topregio in de wereld. Er zijn nog andere redenen om de alarmbel te luiden, maar die de bijdrage van de vijf Vlaamse universiteitsrectoren in De Standaard niet haalden.

De Vlaamse rectoren hadden al veel vroeger en veel harder moeten reageren. De gevolgen van de voorgestelde budgetwijzigingen zijn niet te overzien. Vlaanderen zet niet alleen een rem op haar economische groei, de besparingen hollen ook heel haar maatschappelijke gestel uit. Want wie excellent onderzoek bemoeilijkt, maakt degelijk onderwijs, dat daarop geënt is, onmogelijk. En de weerbaarheid van een gemeenschap hangt altijd af van het niveau van het geleverde onderricht. Oppassen dus.

In hun bijdrage in De Standaard focussen de vijf Vlaamse rectoren alleen op de economische implicaties van een knip op het wetenschappelijke onderzoeksbudget. Er zijn echter nog redenen om de bezuinigende overheid tot bezinning aan te manen, maar deze haalden de bijdrage niet. Er zijn er minstens vier. 1) de ‘zachte’ wetenschappen zullen het hardst worden getroffen, terwijl ze het nu al met minder moeten doen. 2) de bedrijven zullen zich steeds meer onderzoeksdomeinen toeëigenen, wat de wetenschappelijke vrijheid aan de universiteiten inperkt. 3) wetenschappelijke achteruitgang betekent onrechtstreeks ook minder kwalitatief hoogstaand onderwijs. En 4) door nu te bezuinigen in het wetenschapsbudget zetten de overheden de ‘academisering’, die de integratie van bepaalde hogescholen in het academische milieu van de universiteiten regelt, ernstig onder druk.

‘Zachte’ wetenschappen betalen prijs

Als de budgetten krimpen, zullen de ‘zachte wetenschappen’ als eerste het gelag betalen. Letteren en Wijsbegeerte, Theologie, Psychologie, Pedagogie en consorten zijn immers economisch weinig interessant om in te investeren. Dat is deels de schuld van de faculteiten zelf die nog steeds de noodzaak niet voelen om hun wetenschappelijke bevindingen economisch te valideren. Uit hoogmoed? Luiheid? Of onkunde? Maar evenzo is het een maatschappelijke tendens waartegen maar moeilijk iets te beginnen valt. Met bevindingen en formules uit de chemie, de biochemie, de ingenieurswetenschappen of eender welke output uit de ‘harde’, ‘positieve’ wetenschappen kan je, als je over een goed product beschikt, wereldwijd de concurrentie aangaan. Mensen en bedrijven zijn altijd bereid te betalen voor iets dat een zichtbare, tastbare en significante meerwaarde biedt. Wanneer heeft een filosofisch of historisch inzicht dat nog eens gedaan? Als faculteiten van humane wetenschappen als Taal en Letterkunde, Geschiedenis of Antropologie zelf niet op een structurele manier beginnen na te denken over welke meerwaarde ze nog hebben, dan zullen faillisementen volgen. Sommige decanen staat het water nu al tot aan de lippen.

Stijgende invloed bedrijven

Het financiële gat dat de overheid slaat, zullen de bedrijven met plezier dichten. Dat gebeurt nu ook al en heeft zeker zijn voordelen: grotere budgetten voor gericht onderzoek, resultaatsgedreven, betere onderzoeksapparatuur, een vlottere valorisatie… Met de nieuwe besparingsplannen wordt de poort naar privatisering volledig opengezet. Mogelijke gevolgen? De academische vrijheid komt in het gedrang, omdat de universiteiten enkel datgene nog gaan bestuderen dat de bedrijven links laten liggen wegens economisch weinig interessant. Universiteitslabaratoria mogen zich dus in de toekomst tevreden stellen met een habbekrats.

Bovendien, als de bedrijven het grote geld hebben, kunnen ze makkelijk deelonderzoeken uitbesteden, onder andere aan de universiteiten die ze tegen elkaar kunnen opzetten. Wie wint zal altijd diegene zijn die de beste voorwaarden aanbiedt (al dan niet ten koste van andere eenheden binnen dezelfde instelling). Voordeel voor de bedrijven? Het prijskaartje. Want zowel het onderzoek als de vorser aan de universiteit wordt betaald door de gemeenschap -terwijl de voordelen van het onderzoek voor een groot deel terugvloeien naar het bedrijf.

Omdat de universiteiten betaald worden met gemeenschapsgeld, is enerzijds de gegenereerde kennis en alle praktische voordelen ermee verbonden voor gemeenschappelijk gebruik. Anderzijds is de verantwoordelijkheid tegenover het onderzochte in de eerste plaatst een zaak van de gemeenschap. Met andere woorden: hoe meer doorgedreven de privatisering, hoe minder de wetenschap nog eigendom is van de maatschappij. Dus minder controle en minder gebruiksvoordeel.

Dalend niveau onderwijs

Excellent onderzoek is niet mogelijk zonder degelijk, voorbereidend onderwijs, en, omgekeerd, goed onderwijs is altijd gestoeld op de resultaten van degelijk onderzoek. Het ene staat niet los van het andere. Dat is een ontegensprekelijke wetmatigheid, waar de Vlaamse universiteiten hun beleid sinds jarenlang hebben op toegepast. De nieuwe besparingsvoorstellen verstoren dat evenwicht.

Als wetenschappelijk onderzoek niet meer gegarandeerd kan worden aan de universiteiten, dan komt automatisch ook haar pedagogische functie in gedrang. En dan brengen we niet alleen onze economische ontwikkeling in gevaar, maar onze hele toekomst. Het hoger onderwijs levert immers het personeel af dat de maatschappelijke structuren en geledingen van ons land moet bevolken (politiek, gerecht, scholen, banken, bedrijven…) en de mensen die vorm moeten geven aan de uitdagingen waar Vlaanderen constant voor staat. Wie dus aan onderwijskwaliteit inlevert, moet beseffen welke collectieve gevolgen dit op langere termijn kan hebben.

Academisering in vrije val

Met het Bolognaproces, in gang gezet in 1999 in het gelijknamige Italiaans universiteitsstadje, engageerden alle toenmalige Europese onderwijsministers zich tot de vorming van een eengemaakte Europese hoger onderwijsruimte. Belangrijkste doelstelling: op onderwijsvlak kunnen wedijveren met de beste instellingen in de wereld én de fundamenten leggen van een competitieve Europese markt die meekan met de grote spelers als Amerika en China. Ook Vlaanderen in de figuur van Jan Ade, destijds directeur-generaal hoger onderwijs, zette zijn handtekening onder het magna charta.

Tot ergernis van veel professoren is het hoger onderwijs de laatste tien jaar het toneel geweest van ingrijpende structuurveranderingen. De ene al meer revolutionair dan de andere. Zo werd de vertrouwde kadidatuur-licentie-opdeling ingeruild voor de nieuwe bachelor-masterstructuur, met alle mogelijke administratieve moeilijkheden van dien (examenroosters, uitdovende programma’s, curriculumsamenstelling…). Het jaarsysteem werd vervangen door een semesteriële indeling, wat de druk om te presteren vanaf dag één voor studenten vergrootte. Er werd een creditsysteem ingevoerd, waarbij de ‘credit’ diende als een soort Europese pasmunt maar dan onderhevig aan regionale verschillen.

Voor Vlaanderen specifiek betekende Bologna het einde van een oude opdeling tussen de verschillende soorten hogeronderwijsopleidingen. Met name voor de hogeschoolopleiding van het ‘lange’ type (hoger niet-universitair onderwijs van twee cycli, genre ‘industrieel wetenschapper’ of ‘vertaler-tolk’) moest een oplossing worden gezocht. Een van de bedoelingen van de bolognaverklaringen is namelijk dat er in de toekomst uitsluitend twee types opleidingen overblijven: puur academische en puur professionele. De eerste worden aan de universiteit aangeboden, de tweede aan de hogescholen. Het ‘lange’ type zweeft daartussen. Dergelijke opleidingen zijn te wetenschappelijk om puur professioneel te zijn; ze zijn te praktijkgericht om academisch te worden genoemd. Dus moest er een beslissing genomen worden: of het ‘lange type’ volledig professionaliseren of volledig academiseren. De onderwijsverstrekkers kozen, onder druk van de werkgevers en de bedrijven, voor dat laatste.

In de toekomst moet het ‘lange type’ de aansluiting zoeken met het wetenschappelijke onderzoek, uitgevoerd aan de universiteiten. En dat zonder aan vaktechnische eigenheid in te boeten, was een van de voorwaarden. Dat proces van omschakeling wordt ‘academisering’ genoemd en kent tot nu toe wisselende successen. Nochtans is falen geen optie. Noch economisch: studenten van het ‘lange type’ worden bijzonder gewaardeerd voor hun praktische kunde, inzicht en onmiddellijke inzetbaarheid. Een gebrekkige opleiding, als gevolg van een slechte omschakeling, kan dus massale consequenties hebben. Noch persoonlijk: duizenden jongeren die gebrekkig zijn opgeleid en daardoor carrièrekansen missen, zijn een gevaarlijke bron van sociale frustratrie.

Met andere woorden, als de overheid nu beslist te schrappen in het onderzoeksbudget, dan zet ze onrechtstreeks ook de ‘academisering’ onder druk. Om twee redenen.

  • Als er minder geld gaat naar fundamenteel onderzoek, dan ook naar de wetenschappen waar het ‘lange’ type zich mee moet vlechten. Dat is geen optie nu, want er moet net extra geïnvesteerd worden omwille van torenhoge opstartkosten. En net als de ‘zachte’ wetenschapsbeoefening zal ook deze wetenschapsactiviteit het moeilijk krijgen haar meerwaarde te tonen, net omdat de meerwaarde evan nog niet is aangetoond. De ultieme vraag die je dan kunt stellen is: waarom in de eerste plaats pleiten voor wetenschappelijke integratie? Want zodra het iets minder gaat, zijn die opleidingen, die eigenlijk nog zoeken naar een vaste, werkbare vorm, het eerste slachtoffer.
  • Bovendien, welk signaal krijgen die ‘lange’ opleidingen nu? Eerst moeten ze zich verplicht integreren, terwijl ze daar zelf nooit vragende partij voor zijn geweest. En eenmaal de aansluiting gemaakt, krijgen ze nu te horen dat het wetenschappelijke het met minder moet stellen. Alsof de hogeschooldirecties een kat in een zak gekocht hebben -dat gevoel. Hoe kan Vlaanderen nog beweren dat academisering nodig en belangrijk is en hoe kan het nog iets bewegen in die richting als ze van plan is het onderzoeksbudget met 37 miljoen euro terug te schroeven?

Marc Vervenne, Mark Waer en Paul De Knop

Vlaamse rectoren niet opgezet over krimpend wetenschappelijk onderzoeksbudget



Een gedachte over “Vlaamse rectoren maken zich nog te weinig zorgen

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *