De bedelaar

Ik leerde te glimlachen naar bedelaars. Vroeger, als ik er eentje passeerde, draaide ik mijn hoofd weg, en meed alles wat enigszins op contact leek. Maar dat vond ik op den duur laf, weinig beleefd, en eigenlijk onvolwassen. Dat moest anders, vriendelijker, vond ik. Dus: glimlachen, een knikje.

Om maar te zeggen: al langer fascineert de figuur van de bedelaar mij. En ik weet niet precies waarom of waardoor –alsof elk denken niet bij machte blijkt om het fenomeen te vatten, alsof ik intellectueel zelf aan de bedelstaf moet. De figuur bestaat bovendien al eeuwig, lijkt als een kakkerlak tegen de tijd en de sociale verdoemenis resistent. Hij weerstaat elke sociale strategie; hij blijft immers in de publieke ruimte opduiken, maar leeft voor de rest onderdoken in de brute zichtbaarheid van zijn miserie, die ons doet wegkijken.

De bedelaar, ondanks of dankzij zijn eeuwenoud en historische karakter, vormt in mijn ogen de ware mens in opstand. De metafysische anarchist, die in geen vorm of categorie te vatten valt. Een soort Socrates van de straatstenen. Niets of niemand krijgt hem klein, want hij is autarkisch in zijn alles vernietigende en permanent oplaaiende zelfvernietiging –de grondigheid en het eindeloos enthousiasme waarmee hij zichzelf ten gronde richt, daar kan geen enkel extern gezag bovenop of tussenin. In die dolgedraaide cirkel van vernielzucht, die zijn leven kenmerkt, ketst elke fundamenteel gesprek af. De bedelaar, niet geïnteresseerd in het gewone leven, aanvaardt geen enkel gezag, tenzij alleen van zijn innerlijke, deconstructieve demon, die maar één ding wilt: doodgaan, maar zo langzaam mogelijk; met een soort puberaal genoegen etaleert de bedelaar die innerlijke strijd in het openbaar, zijn theater. Elk woord dat hij ons toesnauwt, klinkt daarom als een doordrenkte doodsreutel. En dat creëert angst bij omstaanders, die vol ongeloof om zoveel schijnbare lichtzinnigheid, het hoofd schudden. Vandaar wellicht de verschillende ideetjes recent om de bedelaar te bannen en te penaliseren –maar hoe meer de politiek maatregelen oplegt, hoe schrijnender, ieler de pogingen lijken. De politiek probeert in de bedelaar te temmen wat de politiek ten diepste verontrust en daarom drijft: uiteindelijk het tijdelijk karakter van elke sociale inspanning, de alomvattende drang naar macht en bezit over de andere ten koste van zichzelf. De bedelaar incarneert in zijn historische hardnekkigheid de onmogelijkheid van een bestuur om alles en iedereen te onderwerpen. De bedelaar vormt de uitzondering die de wet onderuit haalt –en staat daarom, met al zijn hebben en houden, buiten de wet.

De bedelaar staat voor alles wat de samenleving verfoeit: vrijheid en autonomie

De bedelaar, in zijn gebroken uiterlijk, staat daarom –misschien zelfs meer dan ooit– voor alles wat deze maatschappij verfoeit. Voor vrijheid en autonomie. Voor diep wantrouwen tegenover het systemische karakter van het opgelegde leven. Voor totale onafhankelijkheid, in een tijdperk dat alles vastlegt. Voor vuiligheid, terwijl alles mooier wordt voorgesteld. Kiest hij daarom voor de drukke winkelstraten, met het blinkend glas, het flikkerend licht, de grote openingen, omdat hij de levende negatie daarop vormt? De bedelaar als dof en droevig, als lastig en gesloten, als onhandig en ongepast, en als principieel onaantastbaar –niet vatbaar voor biopolitieke strategieën en commerciële manipulaties.

Bovendien, een bedelaar komt ook nooit gelegen. Er is geen enkel moment dat zijn vraag naar hulp of geld of een goed woordje uitkomt. En al zeker niet als ik aan het winkelen ben, als ik spullen en diensten aanschaf ter mijner vervolmaking en aanvulling, als ik volledig het centrum vorm van die koopkracht, struinend in één van die paleizen van prulletjes. De bedelaar past niet in een economie die volledig draait op de utopie van de oeverloze zelfverheerlijking. In de bedelaar lopen alle perfide verkoopstrategieën mank, hij valt niet te manipuleren met goedkope praatjes en loze dromen. Dat maakt hem tegelijk extreem kwetsbaar en tegelijk extreem gevaarlijk, hij hanteert een levensstijl die, in zijn louter en schamel zijn, bolt van het wantrouwen en schokt van het cynisch schateren, om zoveel absurde schijn bij ons. De bedelaar spreekt daarom ieder van ons persoonlijk aan. In zijn algemeenheid, omdat hij van nergens specifiek komt en nergens naartoe gaat, raakt hij elk van ons –en eenmaal door hem aangekeken, raak ik in de knoei met mezelf: moet ik geven, of niet, en als ik geef, wat dan, doe ik dan voldoende, of maakt het allemaal weinig uit? Door de bedelaar ga ik ethisch aan het schipperen; hij knoeit met mijn referentiekader, en dat ervaart hij als zijn grootste verdienste –hij installeert in ons denken samen met de chaos ook de mogelijkheid van een nieuwe doordachte vrijheid.

Daarom leerde ik te lachen naar bedelaars, in een minimum aan dankbaarheid voor hun trots offer, voor ons geleden, al klinkt dat heel hebberig van mijn kant, toegegeven. Maar de gêne, het ongemak dat ik telkens voel bij het zien van hun rul kartonnen drinkbekertje of van de vlekken op hun handen, doet me uniek aan, want onvoorbereid, onstuimig, niet onderdrukt, oorspronkelijk –gêne en ongemak, misschien wel het enige authentieke als ik de winkelstraat in al mijn opgewondenheid doorkruis.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *