Rechtenstudent Nora Sleiderink tackelt grote politieke namen

Met een compleet gebrek aan respect voor gezag tackelt Nora Sleiderink, Brusselaar, rechtenstudent en opkomend journalistiek talent, grote politieke namen zoals Sven Gatz en Theo Francken op Twitter en op televisie. “Tegelijk pleit ik voor meer vergevingsgezindheid. De mens zegt niet de hele tijd doordachte dingen.”

Een ontzettend moeilijk dilemma, zo noemt Nora Sleiderink haar keuze om destijds Dries Van Langenhove in het Leuvense studentenblad Veto te interviewen. Na de Pano-reportage over Schild & Vrienden vorige week ligt zowel de groep onder vuur, als de media die hen een forum gaven.
Met dezelfde meedogenloosheid waarmee ze tegenstanders aanpakt die racisme, seksisme of kolonialisme goedpraten, neemt ze nu haar eigen beslissing onder de loep. “Veto heeft altijd getracht met een kritische blik naar extremen te kijken,” zegt de gewezen hoofdredacteur, die onlangs de fakkel doorgaf. “Wat inderdaad niet wegneemt dat het blad in februari een neofascist aan het woord liet. Maar ik sta nog altijd achter die keuze.”

Waarom?
Nora Sleiderink: Omdat een cordon médiatique even lui is als het klakkeloos overnemen van wat Schild & Vrienden zegt. Bovendien, het gaat niet om een marginaal fenomeen, maar mogelijk om de hoogste, potentiële elite van het land. Van Langenhove zat in de raad van bestuur van de UGent. Alt-right weet trouwens zonder de reguliere media ook haar boodschap te verspreiden. Dus ligt de taak van de klassieke media erin om kritische kanttekeningen te plaatsen, bijvoorbeeld via een interview.

Begrijpt u de aantrekkingskracht van Schild & Vrienden?
Sleiderink: Deels. De radicaliteit ervan. De ondoordachtheid ervan. Het duidelijke concept van mannelijkheid en seksualiteit. Dat spreekt jongeren als levensstijl aan. Onderhuids speelt een angst voor onduidelijkheid, chaos, gebrek aan zekerheden, als gevolg van een samenleving in transitie. Veel evidenties verbrokkelen, onder andere door het feminisme, en dat schept verwarring. Ik zie Schild & Vrienden daarom als symptoom.

Wat ook opviel tijdens uw hoofdredacteurschap van ‘Veto’: de vele maatschappelijke onderwerpen. Zoals seksisme onder studenten. Zoals gender. De focus lag minder op het universitaire nieuws.
Sleiderink: Dat gebeurde spontaan. Toen ik kandidaat-hoofdredacteur was, stelde ik mezelf de vraag: waarom wil ik aan journalistiek doen? Wat drijft mij? En dan bleek ik vanzelf bij het maatschappelijke uit te komen. Een gevoeligheid die heel de redactie deelde.
De meerwaarde van Veto, en eigenlijk van elk studentenblad, ligt in de geëngageerde toon. Een nationale krant moet meer terughoudend blijven, de feiten presenteren. Een blad van en voor studenten kan net iets assertiever uit de hoek komen. En kan onderwerpen aankaarten die beleidsmakers weleens durven te vergeten.

Een beetje zoals in de tijd van De Morgen: de krant die u een geweten schopt?
Sleiderink: Eerder het bewustzijn vergroten, aanscherpen. Zowel dat van het bestuur van de universiteit, als dat van de student.

Is de huidige generatie twintigers niet ‘woke’ dan, op een hyperbewuste manier ethisch?
Sleiderink: Sommige stemmen zeggen inderdaad dat jongeren van mijn leeftijd racisme en seksisme niet meer dulden. Voor een beperkt aantal klopt die vaststelling. Maar de grote groep studenten ligt daar niet extreem hard van wakker, lijkt daar ook niet extreem gevoelig voor. Welnu, die bereiken, daarin ligt de functie van Veto.
Gaat u sowieso de journalistiek in? U krijgt nu al het etiket van ‘prille pitbull’.
Sleiderink: Toegegeven, een leuke beschrijving. Maar ik vind het toch vooral bizar dat een samenleving en de media het verwonderlijk vinden dat een 22-jarige een mening verkondigt die ingaat tegen wat machthebbers zeggen. Dat lijkt me nochtans de evidentie zelve.
Maar om op je vraag te antwoorden: ik weet het nog niet. Journalistiek lijkt wel mijn ding. Maar soms heb ik het gevoel dat ik nog veel te weinig weet om met verstand van zaken te kunnen schrijven. De kwestie stelt zich nog niet. Eerst afstuderen.

Theo Francken. Sven Gatz. Zuhal Demir. U ontziet ze niet op Twitter, of op televisie. Opboksen tegen gezag: geniet u daarvan?
Sleiderink: Zo Vlaams, die opmerking. Om dat meteen als het summum van anarchie te zien. In Nederland zou ik niet opvallen. Eigenlijk moeten veel meer jongeren politici ter verantwoording roepen, wat overigens nog nooit zo makkelijk ging met een twitteraccount.

U moet het allicht een leuke tijd vinden. Al die debatten. Al die tegenstellingen. Al die polemiek.
Sleiderink: Het is inderdaad een interessante tijd. Aan de ene kant is daar die gigantische informatie­stroom, waaraan eenieder zich kan laven, om vervolgens positie te kiezen. Aan de andere kant lijkt alles zo complex, en de impact om de grote lijnen te verkleinen tegelijk zo gering. En wat het extra moeilijk maakt: alle antwoorden van het spectrum zijn gekend.

Hoe te wegen dan op het maatschappelijke debat?
Sleiderink: Niet door oplossingen aan te reiken, maar door problemen op te werpen. Wie rond een bepaald onderwerp de nodige aandacht kan creëren, die bepaalt de teneur en de krantenkoppen. Dat is impact hebben vandaag. Neem abortus. Door het opnieuw te problematiseren, zoals onlangs gebeurde, krijgt het relevantie. Klimaat krijgt in mijn ogen dan weer niet de nodige aandacht tussen de vele duizenden debatten. Frustrerend.

Frustratie die u dan weer op Twitter gooit, zonder dat het veel verschil uitmaakt.
Sleiderink: Ik hoop natuurlijk het tegendeel, maar vaak blijft het bij een soort continue ‘woordkots’. Daarmee worstel ik wel: wat kan ik eraan doen? Wat helpt het dat ik weet dat het slecht gaat met derde wereld? Of dat uitbuiting nog steeds bestaat? Hoe kan ik dat in godsnaam concreet oplossen?
Of dichter bij huis: straatintimidatie. Ik woon nog maar een paar weken in Brussel, en ik kan nu al niet meer bijhouden hoe vaak ik er slachtoffer van werd. Echt, de hele tijd: mannen die mij willen aanspreken, mij willen aanraken, mij achtervolgen en lastigvallen. Ik voel me fysiek niet onveilig, maar het is denigrerend. Twee dagen geleden nog: een man grijpt me bij mijn kont. Ik draai me kwaad om en hij kijkt me laconiek aan. Erger nog: hij begint me vierkant uit te lachen wanneer ik ermee dreig de politie te bellen. Dan ben je machteloos. Want het gaat om dominantie, alsof hij wil zeggen: gij zijt maar een vrouw.
Hoe zou u het aanpakken?
Sleiderink: Lokagentes inzetten. En het idee bijschroeven dat zo’n gedrag niet typisch tot Brussel behoort. Wie dat denkt, maakt deel uit van het probleem. En voor alle duidelijkheid: het gaat heus niet alleen om de typische daders, die iedereen in gedachten heeft. Maar evengoed om blanke, rijke vijftigplussers.

Daarom dat u tweette: ‘God, mannen worden zo kut als je lacht op straat.’ Waarom dat onnodig veralgemenen?
Sleiderink: Kijk. Dat mannen dat veralgemenend vinden, kan ik begrijpen. Maar dat vind ik veel minder problematisch dan het naakte feit dat ik word lastiggevallen. Bij veel getuigenissen gaat het trouwens vaak zo: omdat niet alles volledig klopt, moet plots het slachtoffer zich verantwoorden, en niet de dader.

En zeker in tijden van sociale media geldt die vaststelling, waar tweets van jaren geleden ineens tot controverse leiden en de geloofwaardigheid van de persoon in kwestie moeten onderuithalen.
Sleiderink: Zoals bij Jihad Van Puymbroeck (die socialmediaredacteur bij de vrt werd, red.). Twitter veroorzaakte op dat vlak een vreemde tegenstelling: nog nooit werden jongeren zo hard gepusht om kleur te bekennen, nog nooit werden diezelfde jongeren zo hard aangepakt eenmaal kleur bekend. Als we dit twittertijdperk willen overleven, pleit ik daarom voor vergevingsgezindheid, en moeten we leren aanvaarden dat niet iedereen de hele tijd doordachte dingen zegt. Zo werkt de mens nu eenmaal niet.

Ook uw vader – hoogleraar Remco Sleiderink – tweet actief. Het lijkt soms op een familiebedrijfje, zeker als jullie samenspannen.
Sleiderink: Soms stuur ik hem weleens een bericht met de mededeling: like eens mijn laatste tweet. Of omgekeerd. Dat hij vraagt om iets te retweeten naar mijn volgers.

En uw moeder?

Sleiderink: Die houdt ons in de gaten via een anoniem account. (lacht)

Wat betekent Brussel voor u persoonlijk?
Sleiderink: Brussel geeft mij een gevoel van thuiskomen, eerder dan van trots. Ik beschouw het als mijn heimat. Ik ben geboren in Elsene, maar verhuisde op mijn tiende naar de Vlaamse Rand. Ik bleef hier wel naar school gaan. Terug naar Brussel verhuizen, naar het centrum, was een fantastische beslissing die me gelukkig maakt en die me rust schenkt. Wat ik dan weer niet begrijp: Vlamingen die naar Brussel trekken omwille van de slechte kanten ervan. Wat het zogezegd spannend en aantrekkelijk maakt. Maar dat is pervers. Het romantiseert wat verkeerd loopt.
Waarom koos u eigenlijk voor rechten als opleiding aan de KU Leuven?
Sleiderink: Omdat ik niet kon kiezen. Omdat ik zoveel wilde doen. Ik ben blij met de keuze, want de opleiding geeft een brede kijk op de samenleving. Ik voel de passie voor het vak groeien.

Veel politici studeerden rechten. Mocht journalistiek niets worden, ziet u zichzelf in de politiek gaan?
Sleiderink: Neen. Nooit.

Wegens de verantwoordelijkheid?
Sleiderink: Neen, wegens te vermoeiend. Het lijkt me ook niet boeiend, de hele tijd toneel moeten spelen. Zeker in een particratie als België, waar een politicus als een marionet de partijlijn moet volgen. En waar de partijlijn nog eens bepaald wordt door een ander zijn partijlijn, enzovoort. Bovendien gehoorzaam ik niet graag.
U staat op uw vrijheid. U wil kunnen zeggen wat u denkt. Bij delen van rechts bestaat nochtans de opvatting dat de gedachtepolitie onze taal filtert en aan banden legt. Terecht die bekommernis?
Sleiderink: Sommigen doen inderdaad alsof ze niets meer mogen zeggen. En schreeuwen dat vervolgens uit op Twitter, waar iedereen dat kan lezen. Wat net hun punt ontkracht. Voor mij is het eenvoudig: vrijheid van meningsuiting komt met een zekere verantwoordelijkheid. Woorden hebben een effect. En veel mensen lijken dat te vergeten.

Maar slaat de slinger niet door? Iedereen voelt zich tegenwoordig geschoffeerd bij het minste. Al die gevoeligheid.
Sleiderink: Hoe kan gevoeligheid ooit een probleem zijn? En zeker als die oprecht blijkt? Een echte dialoog voeren met elkaar betekent die gevoeligheid als gegrond erkennen, en niet belachelijk maken, uitdagen of provoceren. Het betekent, aan de andere kant, tegelijk aanvaarden dat over veel nog veel onwetendheid bestaat.
Ik vind mijn positie van blanke vrouw verrijkend, omdat ik tegelijk bevoorrecht en benadeeld ben. Wat ik weglach in het racismedebat, zou ik nooit aanvaarden als seksisme. Die tweespalt maakt me uiteindelijk bewuster.

 

(Dit interview verscheen eerder op BRUZZ)

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *