Tussen haakjes (1)

Wanneer ik kranten, boeken of artikelen lees, zet ik meestal de interessante passages tussen haakjes.

Geen volle haakjes, maar halfopen (denk aan een regisseur die met zijn gestrekte handen een camerascherm nadoet, om de scène goed in beeld te krijgen). Die gewoonte hield ik over aan mijn studiejaren en hou ik nog altijd vol. Geen idee waarom, want zelden doe ik iets met die uitgelichte zinnen of paragrafen. Ik merk ze aan en vergeet ze daarna. Sinds kort verzamel ik de citaten nu in één document, voor later, maak ik mezelf wijs. Als ik nog eens een roman schrijf en opzichtig en minder opzichtig wil spelen met intertekstualiteit, dat soort pretenties. Maar misschien moet ik het simpeler houden en meteen met het materiaal aan de slag gaan. Vandaar dit nieuwe rubriekje op mijn website. Op regelmatige tijdstippen –in het meest ambitieuze geval één keer om de week– wil ik een overzicht geven van de prominentste passages die ik tegenkwam, vergezeld van een kort woordje uitleg, een bespiegeling of een kanttekening. Niet te lang, met een reikwijdte van diepzinnig tot dom. Het is trouwens niet de bedoeling dat ik nu opeens alle kaften uit mijn boekenrek ga openslaan, en zo de rubriek vul, met ontdekkingen uit het verleden. Neen, ik geef wat ik de afgelopen week onder ogen kreeg. En dat kan van alles zijn. Het lot en het toeval bepaalt de selectie, en wat mijn aandacht trekt; ik stel geen eisen vooraf. Wat dat geeft? Vraag is eerder: wat gaat dat niet geven?

 


 

‘Onze armoede en onze politieke overtuigingen vormen een onontwarbare kluwen’

Jolande Withuis, 2018, Raadselvader. Kind in de Koude Oorlog, Amsterdam: De Bezige Bij, p. 130.

 

Ondanks de ietwat belegen titel, die meteen de associaties wekt van een zoveelste, al te zelfbewuste dochter in het onreine met de duisterheden van haar vader en daar nog steeds als een klein meisje onder lijdt, vertelt de Nederlandse sociologe Jolande Withuis (1949) in Raadselvader niettemin een eerlijk relaas over haar jeugd en over het opgroeien in een communistisch gezin, waarbij het politieke steevast het persoonlijke overstemde. Niet het individu telde, maar de mensheid als collectief. Makkelijk was dat leven niet, schrijft Withuis in een toegankelijke stijl, want overal loerde de vijand. Ofwel in de gedaante van het kapitalisme, ofwel de Nederlandse staat die communisten als een vijfde colonne beschouwde, ondanks de geleden verliezen in de Tweede Wereldoorlog. Ofwel innerlijk, in het hart van een communist zelf, waar een gevecht woedde tegen de eigen egoïstische impulsen –maar een trouwe partijsoldaat moest te allen tijden zichzelf minimaliseren om zich maximaal en zo gefocust mogelijk te kunnen engageren. Voor een puber, vol vragen en angsten, een kwellend regime. Dat leren inzien vormde de eerste grote barrière van de jonge Withuis.

Jolande Withuis vertelt nuchter maar altijd liefdevol daarbij over de rol van haar vader, Berend Jan ‘Berry’ Withuis, die in Nederland een zekere bekendheid genoot (net als Jolande zelf ondertussen, zeker na de publicatie van haar vuistdikke biografie over koningin Juliania –in Vlaanderen doet haar naam minder een belletje rinkelen, tenzij misschien als een van de Zomergasten in 2012, met Jan Leyers als presentator, die het gesprek na een half uur moest stoppen omdat Jolande last kreeg van migraine).

Berry behoorde lange tijd tot de top van de communistische partij, wat zijn reputatie verklaart, en was bovendien een van de eerste schaakjournalisten van Nederland die van zijn pen kon leven. Over de diepste motieven van de man, die slecht sliep en op café altijd in de buurt van de uitgang zat, wist de dochter maar weinig. Hij sprak zelden over het verleden, en Jolande durfde het niet te vragen, wilde het een tijdlang ook niet weten, want nam rond haar twintigste stukje bij beetje afscheid van de levensstijl van haar ouders (ze ging naar een psychiater, schreef een kritisch proefschrift over het communisme en het feminisme wat haar emmers bagger opleverde van de alte kameraden…). Maar toch, de vragen bleven in haar hoofd spoken: waarom zei hij De Waarheid, het partijblad waarvoor hij werkte, op een bepaald moment vaarwel? Waarom hield haar vader na de oorlog niet meer van poëzie en literatuur? Waarom kon een zo kritisch persoon, die niets of niemand spaarde, nog het minst zijn naasten, zo blind blijven voor de aberraties van de eigen ideologie? Waarom vond hij het een slecht idee dat zijn dochter een ledenkaart kocht van de partij? In zijn ogen een ‘blunder’; de Communistische Partij van Nederland had ‘tot het sacrosanctum een onwaardige toegelaten’.

Duidelijke antwoorden komen niet; het blijft vaak bij beredeneerd gissen. Toch geeft het boek een omvattend beeld van de man en met de man ook de tijdsgeest en de praktische moeilijkheden van het opgroeien in een donkerrood nest in het Westen tijdens de Koude Oorlog. Moeilijkheden zoals sociale isolatie. Onwetendheid. En armoede.

Armoede (want daarover gaat het citaat) vormt voor elke zelf respecterende samenleving een uitdaging. In materiële zin, wat de logistieke aanpak ervan betreft, maar ook ethisch –misschien vooral ethisch in tijden van globale overvloed, en een overheid die op andere domeinen van het dagelijkse leven wél pleit voor ingrijpende controle, sturing en een doorgedreven biopolitiek. Bovenal ethisch omdat onderzoek na onderzoek wijst op de verschillende negatieve effecten van armoede op de ontwikkeling van kinderen, van leerachterstand tot een slechtere gezondheid. Die wetenschap valt niet meer te negeren en verruimt het normatief bewustzijn van de beleidsmakers, of zou dat toch moeten doen. Bij de familie Withuis viel nog één verzachtende omstandigheid te noteren voor de schrale levensomstandigheden, en voor de armoedige, eenzijdige invulling van armoede: het diende tenminste de idee van een heilstaat in de toekomst. Maar in Vlaanderen, waar de armoedecijfers hardnekkig weerstand bieden, valt zelfs niet eens te achterhalen waarom de regeringen het probleem niet de moeite vinden om aan te pakken.

 

 

‘Ik zal niet gauw “minstens” schrijven waar “ten minste” hoort te staan en evenmin plaats ik het hulpwerkwoord achter een voltooid deelwoord. Dat zijn germanismen, dus behalve taalkundige ook morele overtredingen. Dan was je als het ware alsnog fout in de Oorlog, concludeerde ik’

Ibidem, p 186.

 

Alles ten huize Withuis stond in het licht van het kritische, ontluisterende denken; alleen het communisme als ‘sociale, historische en politieke wetenschap’ gaf toegang tot de ware werkelijkheid. Hoe? Door de leugens te ontmaskeren, door de verborgen moraal telkens bloot te leggen, door de geschiedenis te corrigeren, door systematisch de kant te kiezen van de onderdrukte. En die gevoeligheid begon voor Berry Withuis bij een correct taalgebruik –misschien wel het belangrijkste, maar meest onzichtbare slagveld van een klassenstrijd.

Ik moest in dat verband denken aan een recent artikel van mijn collega Stijn Cools, waarin hij fijntjes de ironie vat van het succes van nieuw rechts in Vlaanderen en Amerika: ‘Alt-right heeft de theorieën van Antonio Gramsci –een marxist– geadopteerd. Die zei dat politieke verandering voortkwam uit culturele verandering. Aan politiek doen, kan je dus ook met culturele wapens.’

Een soortgelijke intuïtie staat in het citaat uit Raadselvader –de taal als graadmeter van een politiek bewustzijn, hetzij een waar of een vals bewustzijn.

Misschien ligt het aan mij, maar de enige reden waarom ik een hulpwerkwoord achter een voltooid deelwoord plaats, zou een esthetische zijn: het bekt vlotter, laat het ritme lopen. En in een roman kan het een subtiel verschil aanduiden tussen geschreven en gesproken taal, waartoe de constructie in het laatste geval eerder neigt. Maar vader Withuis vindt het naast een ergerlijke slordigheid bovenal een ‘morele overtreding’ –door een zin te eindigen met een hulpwerkwoord, een typisch Duits gebruik, krijgt de cultuur van de verdreven bezetter alsnog de bovenhand op de Nederlandse. Wat in de ogen van Withuis gelijkstaat aan niets minder dan collaboratie, zelfs na de oorlog.

Correct taalgebruik, aldus Withuis, getuigt daarom in zijn zuiverheid, wat wil zeggen: gevrijwaard van germanismen (maar evengoed anglicismen en andere talige overnames) van autonomie en eigenwaarde, van vrijheid en identiteit.

Toen ik dat las, vond ik dat verregaand. Natuurlijk is taal nooit volkomen zuiver of neutraal. Herinner de discussies over het gebruik van ‘neger versus zwarte’ of ‘blanke versus wit’ of ‘allochtoon versus persoon met een vreemde herkomst’ –waarbij de eerste beschrijving niet langer getolereerd wordt wegens de kwetsende associaties voor een specifieke groep in de samenleving (en meer specifiek diens identiteit, die hem ofwel opgedrongen wordt of onrecht aandoet). Maar dat ook grammatica, een schijnbaar objectieve realiteit met vaste regels en gebruiken, politiek zo direct en plat te interpreteren valt, verbaasde me. Omdat ik tegenwoordig het gevecht niet op dat niveau zie gebeuren. Maar het kan wel, in theorie. En dat maakt het interessant als gedachte-experiment. Valt het ideologische verschil tussen pakweg SP.A-voorzitter John Crombez en N-VA-voorzitter Bart De Wever louter op formele gronden van hun taalgebruik vast te stellen? Spreken christendemocraten met veel meer passieve constructies dan linkse of liberale denkers, die vooral de wereld willen veranderen en via actieve zinnen dat enthousiasme oproepen? Spreekt rechts meer gebald dan een genuanceerde intellectueel?

En wat met al die trollen op Twitter, die helemaal geen grammatica gebruiken, maar gewoon hun vilein en hun gal spuwen en uitbraken, vaak zonder interpunctie –wat valt daaruit af te leiden? Dat hun oprispend zuur de taal van de communicatie wegbrandt?

Vandaag is iedereen fout in de ogen van ander. En dat maakt misschien dat we opnieuw verzeild geraakt zijn in een Koude Oorlog.

1 thought on “Tussen haakjes (1)”

  1. GEachte,

    ik las toevallig een artikel in MO over het basisinkomen in Busibi , een dorp in Oeganda.
    Daarin is sprake van een Maarten Goethals . Bent u de promotor van dit “ontwikkelingsproject ” ?
    Zelf sta ik heel positief tegenover het basisinkomen als nieuwe vorm van sociale zekerheid en maatschappelijke ontwikkeling .
    Ik wil dan ook graag weten hoe ik dit project in Oeganda kan steunen .
    Kan u mij daar meer over informeren ?
    Dank bij voorbaat

    Trudo Lambregs

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *