Spaarzame poëzie of lui proza?

De poëzie van Raymond Carver begint waar het gedicht eindigt. Dat bewijst ‘Uit het oosten, licht’, nieuw vertaald werk van de Amerikaanse meester van het minimalisme.

Toen Raymond Carver in 1988 op vijftigjarige leeftijd stierf aan longkanker, werd hij op één lijn gezet met Hemingway en Bukowski. Alle drie stevige drinkers (die een zware prijs betaalden voor hun levensstijl). Alle drie onnavolgbaar (maar eindeloos gekopieerd door mindere goden). En alle drie meesters van de literaire sprint – het korte verhaal.

Vooral Carver, die geen enkele roman schreef, vond gebald proza de vorm bij uitstek om de spanning erin te houden en te werken op de verrassing. Daarom is de publicatie van Uit het oosten, licht, een ‘brede selectie’ van zijn gedichten, vertaald door Astrid Saartjes, verrassend. Zijn poëzie kon nooit op hetzelfde enthousiasme rekenen als zijn verhalen, waarin hij een Amerika schetst doordrenkt van alcohol, frustratie en huiselijk geweld.

Als zijn gedichten al enige ophef veroorzaakten, dan was dat wegens het hoge autobiografische gehalte. Zoals die keer dat hij zijn roes op de sofa uitsliep na een nacht ‘lawaai en geschreeuw in huis’, en de kinderen naar beneden kwamen en hun ogen niet konden geloven: ‘het echt schokkende waarvoor ze staan/ te staren, is dat hun kerstboom is omgevallen’. En niet hun vader, in zijn half comateuze toestand. Want, ze ‘beseffen dat alles weer van voren af aan/ begonnen is’.

Verhaaltjes

Vanwaar dat verschil in appreciatie? En waarom zou een vertaling nu wel een afzetmarkt vinden?

Antwoord: zijn zwakte toen blijkt nu zijn sterkte. Carver schrijft heel alledaags tot zelfs banaal; er zit niets verhevens in zijn stijl. Hij verwoordt de zaken heel functioneel, spaarzaam, vlak. De sportvisser die hij altijd bleef, wist dat er weinig nodig was om zich te amuseren: een hengel, een haak en water – hetzelfde met literaire tools, Carver beperkt de inzet tot een minimum.

Daardoor lijken zijn gedichten op het eerste gezicht, en bij lezers met meer verheven verwachtingen van poëzie, op anekdotes, verhaaltjes met een begin en einde, maar voor de vorm verhakkeld in een minimale poëtische mal. Zijn bundels werden door critici beschouwd als slecht, lui proza, een doorslagje van zijn verhalen.

En wat ook niet hielp in de receptie, was Carvers puur pragmatische uitleg voor de keuze voor het genre: tijdgebrek en een sneller rendement dan een roman.

Gewelddadige uitbarsting

En toch. Er speelt meer. De poëzie van Carver kenmerkt zich naar eigen zeggen door een ‘gevoel van mysterie’, waarbij ‘juist onder de oppervlakte van de dingen iets gebeurt’, aldus de auteur. En dat ‘iets’ wordt doorgaans aangeduid door een ‘betekenisvol detail’ – het bloed van een gefileerde vis op een koelkast (dat refereert aan zijn gewelddadige uitbarstingen), een blanco vel (dat hem ‘in de gaten’ hield terwijl ‘het buiten nog donker was’), of zijn terugkerende fascinatie voor handen (‘daar houdt onze menselijkheid het langste stand’ – of in een beschrijving van Wes Hardin, een outlaw die in 1894 in een saloon wordt geliquideerd: ‘maar mijn blik/ blijft pas echt haken/ aan dat grote kogelgat/ in de slanke, elegante rechterhand’).

De details bij Carver verwijzen steevast naar een groter geheel, maar een geheel dat onuitgesproken blijft, en in de coulissen van het gedicht de sfeer en de gevoelsmatige omvang van het werk bepaalt. En daarin ligt de spanning, de horror, de duistere dynamiek, de aantrekkingskracht van zijn poëzie: in die achtergrond die meespeelt, maar nooit op de voorgrond treedt. Neem bijvoorbeeld die ‘slanke, elegante rechterhand’. Hoewel het gedicht met dat beeld eindigt, begint op dat moment de ware, kille toedracht: het oproepen van alle slachtoffers, om het leven gebracht door diezelfde hand.

Of neem de ‘beschimmelde croutons’, in het gedicht ‘Een fikse klus’. Een ‘oude vrouw’ die bij een familie schoonmaakt, merkt bij het binnenkomen niet alleen die stukjes brood op, maar ook een eettafel ‘gedekt voor zes personen, maar niemand/ had gegeten (…) Op de bovenverdieping smeekte een man/ niet weer bij de haren te worden gegrepen.’ Maar verder geeft Carver geen uitleg. Alles wat aan die scène voorafgaat en alles erna, moet de lezer, net zoals de werkster, zelf maar reconstrueren.

Die methodiek van spaarzame details en grotere onzichtbare verbanden in combinatie met stevige punchlines werkt. Ook en misschien vooral dertig, veertig jaar na de verschijningsdatum. Carver schreef namelijk zoals hij het leven definieerde: als ‘een malende steen die steeds scherper werd’. In een wereld die het graag kort en bondig houdt, en strijk ligt bij oneliners, is zijn poëzie gesneden koek.

(Recensie verscheen eerder in DS Letteren, de boekenbijlage van De Standaard)

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *