Lost in space: op zoek naar de mens en een strap-on

Waarin ligt het essentiële verschil tussen de mens en robots? In de verhouding tot de dood, zo blijkt uit de Deense scifiroman Het Personeel van Olga Ravn.

Alsof Schopenhauer of Heidegger zich waagden aan hardcore sciencefiction: zo valt Het Personeel nog het best te beschrijven. De roman waarmee de Deense Olga Ravn de shortlist van de International Booker Prize haalde, en nu vertaald naar het Nederlands.

Op zich stelt het verhaal weinig voor. Er is een ruimteschip: ‘het zesduizendste’. En op dat ruimteschip werken twee types personeelsleden: de mens, die na het verliezen van de aarde zijn redding elders zocht, en de mensachtigen, robots ‘ontworpen naar evenbeeld van zijn schepper, afgezien van de geslachtsorganen’. 

Dan gebeurt iets -een moord- en komt een commissie het personeel interviewen, om zicht te krijgen op de ‘permanente veranderingen bij de werknemers’. 

De roman bundelt zogezegd een selectie van die getuigenissen, sommigen slechts een zin kort, andere langer, maar allemaal anoniem. En daar wordt het het interessant. Doordat Ravn bewust vaag blijft in de aanduiding van de personages, wordt niet meteen duidelijk wie spreekt: een mens of een androïde? Dus moet de lezer, plots onzeker over zijn beoordelingsvermogen, sommige passages herlezen op zoek naar dat ene onderscheidende detail dat het verraadt.

Op dat punt weet de Deense perfect wat ze doet: stijl naadloos laten aansluiten op inhoud, want de begripsverwarring bij de lezer komt overeen met de begripsverwarring die ook het personeel treft, zo blijkt. Een menselijk personage omschrijft een collega-robot als ‘een vriend’, terwijl een humanoïde ergens over zichzelf beweert: ‘geen van ons is alleen maar een ding’.

Lang leve de dood

Literatuur draait altijd rond de notie van menselijkheid. Ravn probeert die in kaart te brengen door het contrast op te zoeken met het bijna-menselijke, en door te onderzoeken welke kern onveranderlijk blijft, ongeacht de externe omstandigheden.

Voor Ravn, die leentjebuur speelt bij Heidegger, lijkt het antwoord gelegen in de dood. Waar de mens zich ook bevindt, tussen wie of wat hij ook leeft, het vooruitzicht van zijn eigen einde bepaalt finaal de diepgang van zijn bestaan. Sterven, die grote gelijkmaker, geeft daarom kleur en smaak aan alles wat vooraf komt – een paradoxale gewaarwording die robots, gemaakt om eeuwig te presteren, nooit zullen ervaren. Of zoals ‘Getuigenverklaring 037’ laat optekenen: ‘Dat is hetgeen waardoor ik me onderscheid van zekere anderen hier.’

Omgekeerde strap-on

Sein-zum-Tode. Ravn noemt die term niet expliciet bij naam, maar werkt hem wel uit door het heelal op te zoeken. En dat maakt de roman, behalve om de stijl, om een tweede reden opmerkelijk: het schijnbare gemak waarmee Ravn met bekende concepten uit de filosofie goochelt. Te veel om over toeval te spreken.

Met haar ‘ingeplante ideeën’ bij machines bedenkt ze een variant van de ingeboren ideeën van Descartes. En wanneer een robot hardop mijmert: ‘Kan ik een mens worden als jullie mij zo noemen?’ vat ze de taaltheorie van Wittgenstein samen.

Of neem ‘de objecten’, door piloten gevonden in ‘het dal’. Ravn beschrijft die enkel zijdelings: als omgeven met een ‘melkblauwe gloed’ en gelijkend op een ‘dikke vloeistof’, of in sommige gevallen op ‘een omgekeerde strap-on’. In die zin lijken de ‘objecten’ verdacht veel op het Ding-an-sich bij Schopenhauer: op de werkelijkheid die verborgen ligt achter het gesloten netwerk van zintuiglijke indrukken, en die zich enkel via kunst openbaart. De benadering van ‘de objecten’ behoort dan ook tot het meest poëtische en meest excentrieke van de roman – meer dan sommige onthullende details over het plot, die iets te doorzichtig het mysterie moeten vergroten.

Verloren aarde

Buitenlandse recensenten lazen Het personeel als een satire op blasé corporate language op de werkvloer, maar de roman doet meer. En doet waar sciencefiction het best in is: niet de toekomst maar het heden verbeelden, maar dan uitvergroot. Als Ravn fantaseert over ‘de weersomstandigheden op de verloren aarde’, dan vergt het weinig moeite om daarin het huidige tijdsgewricht te ontwaren, met een op hol geslagen klimaat. Daarom leest Het personeel als een waarschuwing: de mens hoeft niet het heelal te veroveren om te vervreemden van zichzelf. Het kan ook dichter bij huis. Het kan ook vandaag. Met alle gevolgen van dien.

Of zoals ‘Getuigenverklaring 091’ besluit, nadat hij terugdenkt aan deze verloren planeet: ‘Ik geloof dat ik geen hart meer heb’.

(Deze recensie verscheen eerder in de boekenbijlage van De Standaard)

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *