Vorsten, heksen, fanatici: het favoriete gezelschap van Hilary Mantel

In Vorstelijke Personages, een bundeling essays van Hilary Mantel, bewijst de auteur van de Thomas Cromwell-trilogie opnieuw waarom koninklijke figuren (en andere freaks) tot de verbeelding spreken.

Wanneer Hilary Mantel herstelt van een operatie, zit op een dag een man gehurkt op het ziekenhuisbed. Wat haar opvalt? Zijn ‘ruige wenkbrauwen’ en ‘bruine huid’. Het blijkt de duivel te zijn: ‘naakt, op het haveloze vel van een of andere bedreigde diersoort na’.


Mantel noteert meteen daarna haar impressies in haar dagboeken.

Over het vreemde bezoek schrijft ze, als ging het om een reële aanwezigheid: ‘was hier, is er nu niet meer.’

Over haar onvermogen om in paniek te schieten, zelfs tijdens levensechte nachtmerries, schrijft ze: ‘In mijn jonge jager zag ik steevast dingen die er bijna niet waren.’

En zonder het zelf zo te bedoelen vat Mantel met die twee zinnen heel haar schrijverschap samen: ze is namelijk de auteur van de ‘tussenwezens’, historische figuren of vreemde personages die door hun obscure aard getuigen over een werkelijkheid waartoe slechts enkelen toegang krijgen.


Na de Thomas Cromwell-trilogie blijkt dat nu ook royaal uit Vorstelijke personages, een bundeling van haar essays en boekbesprekingen voor The London Review of Books, het literaire magazine waarvoor ze sinds 1987 bijdragen levert. Die werden, in het zog van haar mondiaal succes,vertaald naar het Nederlands.

De guillotine
Tussenwezens komen per definitie in allerlei vormen, en kunnen in een mum van tijd van gedaante wisselen. Dat ziet Mantel gebeuren bij Madonna, dat ze in een geschrift fileert als een icoon met ‘oogverblindende schoonheid, terwijl iedereen kan zien dat ze de vleesgeworden wraak van een onaantrekkelijke meisje is’. Alsook bij Eunice, de jonge gekidnapte dochter van een Amerikaanse dominee die opgroeide bij de Mohawk-indianen, en volledig assimileerde met haar gijzelnemers.

Die tussenwezens, als mens gekenmerkt door een surplus, herkent Mantel ook in haar bespreking van Helen Duncan, in 1944 als laatste heks in Engeland veroordeeld. En in haar bijdrage over de Italiaanse mysticus Gemma Galgani, in haar ogen zowel een ‘heilige’ als een ‘hysterica’ die kampte met anorexia.

In een overpeinzing over de Maagd Maria noemt ze de moeder van Jezus: ‘Niet-bevrucht maar wel vruchtbaar, bovennatuurlijk maar ook tegennatuurlijk.’ Kortom: een creatuur van twee werelden, de feitelijke en die van de wonderen.

En vandaar ook haar bovengemiddelde belangstelling voor de monstrueuze tegenstelling in het karakter van Robespierre. Enerzijds een dromer, een gedistingeerde jongeman met nobele ambities in het recht, anderzijds een kille politicus, iemand die emotieloos zijn vrienden en medestanders naar de guillotine stuurde. Alsof het vuur van de revolutie en de hitte van de geschiedenis de ziel van Robespierre smeedde tot een onbuigzame materie. Tot iets dat niet langer levendig leek, maar toch zijn hart deed kloppen. Of zoals Mantel die omslag uitdrukt: ‘Hij meende dat hij de revolutie was en dat de revolutie hem was.’

Sperma, zaad, bloed
Ook haar beroemdste en meest beruchte essay uit 2013, met de gelijknamige titel Vorstelijke Personages, focust op die tweespalt. Maar dan toegepast op het nationaal symbool van de Engelse natie: de koninklijke familie en Kate Middleton. (Aanleiding van haar tirade vormde de vraag aan Mantel om tijdens een literair festival een boek uit te kiezen voor een beroemd iemand.)

Heel venijnig omschrijft ze Middleton eerst als onecht. Als ‘door vakmensen in elkaar gestoken, met een volmaakte plastic glimlach’. Er bestond, in tegenstelling tot prinses Diana, wispelturig tot in het graf, ook ‘geen gevaar dat ze een eigen persoonlijkheid zou ontwikkelen’. En zelfs al zou Middleton ooit betrapt worden op een eigen mening, dan nog maakte dat weinig uit, aldus Mantel. Het ‘enige daartoe zij diende was om kinderen te baren’.

Ietwat eloquenter verwoordt: als ‘vorstelijke dame’ was de echtgenote van prins William vooreerst ‘een vorstelijke vagina’.

Vooral het benoemen van dat laatste -de basale functie van ‘het fokken’- schoot in het verkeerde keelgat van veel eilandbewoners, die het hof toch nog altijd zien als een van de laatste respectabele instituten. Daarom niet in onderling familiaal gedrag, maar wel in zijn publieke voorkomen: in het getoonde goud en zilver dat indruk maakt, in het strikte protocol dat iedereen onderwerpt, in de afstandelijkheid die niet te overbruggen valt. De hooggestemde opdracht van Middelton -de monarchie verder vereeuwigen- strookte niet met de dierlijke manier waarop dat moest gebeuren: via sperma, zaad, bloed. Wijzen op die ondraaglijke spanning, bleek voor velen majesteitsschennis. Een stuitend gebrek aan respect.

En toch leest het essay -wellicht het eerste in de geschiedenis van de London Review of Books dat een auteur opzadelde met paparazzi daags na de publicatie- meer als een steunbetuiging. En zelfs een oprechte. Mantel erkent zowel de tragiek als het toverachtige van een vorstelijk figuur. Ze weet dat koninklijke lui, door hun opdracht en door hun ontologie, anders-zijn. Ze gaan door het leven als ‘zowel goden en beesten’.

En zelfs wie niet gelooft in die essentialistische benadering van het fenomeen, moet erkennen dat het volk, ondanks alle moderniteit, blijft hunkeren naar grote verhalen vol luister en brokaat. Het mysterie van de monarchie ligt daarom niet zozeer verankerd in het gedrag van de hoofdrolspelers, maar in de zoekende blik van het publiek.

Flatterende foto
Mantel, katholiek van geboorte en dus gevoelig voor symbolen, begrijpt die obsessie. Het vormt zelfs de kern uit van haar oeuvre, en het succes van de Thomas Cromwell-trilogie (die een Hendrik VII schetst die een bijna zielige kwetsbaarheid ogenblikkelijk afwisselt met een huiveringwekkende vastberadenheid, die niets of niemand ontziet, zelfs God niet). Maar dat wil niet zeggen dat Mantel naïef is. Hoogstens bewust dubbelzinnig.

De essays over meer maatschappelijke onderwerpen lezen daarom ook als de minst interessante. Zoals de eerste, over het huwelijk in Amerika -een zwak begin van de bundel. (En nog een puntje van kritiek: de uitgever mocht gerust een meer flatterende foto kiezen voor de cover.) Maar wanneer Mantel haar mededogen voor freaks kan uitspelen, krijgt de lezer een les in kijken. In het zien van dingen ‘die er bijna niet zijn’. Daarom dat Mantel, getraind in die discipline, weigert de monarchie volledig te doorlichten. Daarom dat ze een mysticus niet gratuit afdoet als medisch geval. Daarom dat ze Robespierre liefdevol neerzet als psychopaat. Omdat ze iets wil vrijwaren dat anders verloren gaat in die vernauwde, rationele en alom tegenwoordige wetenschappelijke blik. In het bijna-niet ligt voor Mantel alles wat het leven aan extra te bieden heeft.

(Deze bespreking verscheen eerst in de boekenbijlage van De Standaard)

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *