Het verdriet van Camus

Geweld resulteert altijd in nihilisme, noteert Albert Camus in Algerijnse kronieken, zijn journalistieke verslag over de onafhankelijkheidsstrijd in Noord-Afrika.

In de ochtend van dinsdag 3 juli 1962 schreef Charles de Gaulle voor de zoveelste keer geschiedenis: als president van de Vijfde Franse Republiek erkende hij de onafhankelijkheid van Algerije, na 132 jaar koloniaal bewind en een burgeroorlog die minstens aan driehonderdduizend mensen het leven kostte.

Daarmee kwam een eind aan een conflict dat officieel begon in 1954, maar dat eigenlijk al veel langer sluimerde en waarbij verschillende fracties tegenover elkaar stonden: de Fransen in Frankrijk die Algerije als een wingewest beschouwden en harde repressie van overheidswege gelegitimeerd vonden, de meer gematigde Fransen opgegroeid in Algerije (de zogenaamde pieds-noirs) en de autochtone Afrikaanse bevolking die hardop droomde van zelfbeschikkingsrecht, en dat via gewapend verzet afdwong.

Tot de middelste groep behoorde Albert Camus, zoon van een Franse migrant en Spaanse moeder. Zelf mocht hij de onafhankelijkheid nooit meemaken: hij stierf twee jaar te vroeg, in 1960 in een auto-ongeval. Maar afgaande op de ‘Algerijnse kronieken’, zijn reportages, speeches en beschouwingen uit die tijd, en nu voor het eerst naar het Nederlands vertaald, zou Camus de scheiding als een mislukking beschouwd hebben.

Hij pleitte namelijk voor een tussenoplossing, voor een Algerije dat integraal deel uitmaakte van de ‘Franse federatie’. Dat wil zeggen: niet slaafs onderworpen maar een volwaardige overzeese provincie waar alle burgers – óók de Arabieren en Berbers – ‘werkelijk de privileges van een vrije staatsburger’ genoten.

Als Frankrijk het meende met zijn vrijheid, gelijkheid en broederschap, dan gold dat evengoed voor het grondgebied buiten Europa, argumenteerde de schrijver.

Doelloze oorlog

Maar die houding kwam met een prijs. Camus maakte zich niet populair. Niet bij zijn intellectuele, communistische schrijversvrienden in Parijs, die hem te weinig radicaal vonden, en niet bij de lokale bevolking van zijn geboorteland. Die begreep maar niet hoe iemand die in Algerije was opgegroeid en tijdens de Tweede Wereldoorlog voor een verzetskrant schreef, kon blijven pleiten voor een onderdrukkende aanwezigheid.

En toch. Camus kon, wou en zou niet toegeven. Zeker de pieds-noirs en autochtonen vormden in zijn ogen al anderhalve eeuw lang ‘een broedervolk’, gebonden door hun liefde voor hetzelfde zonovergoten landschap.

Maar zoals altijd in het denken van Camus was zijn sterkste bekommernis bovenal ethisch van aard. Toegeven aan de opruiende gevoelens van de verschillende fracties was volgens hem willens en wetens toewerken naar ‘een doelloze, wetteloze oorlog’ en – Nietzsche parafraserend – finaal ‘de triomf van het nihilisme inluiden’.

Meegaan in de polemiek (hetzij in woorden, hetzij in daden) was weten waar de strijd begon, maar niet waar die eindigde. Correcter: Camus wist het wel. Namelijk in bloedvergieten. In nog meer wreedheid en ellende. En dat was zijn grootste vrees: dat Fransen, pieds-noirs, Arabieren, moslims en christenen elkaar in ‘een dodelijk omhelzing’ kapot zouden maken. Waarbij iedereen eeuwig ‘wijst naar de misdaad van de ander om zichzelf vrij te pleiten’.

Het falen van de rede

Die laatste zin komt trouwens uit het voorwoord, dat hij als laatste aan de bundel toevoegde in 1958. Toen moest het grote geweld nog losbarsten. Maar schijnbaar voelde de schrijver de bui al hangen, getuige de evolutie in toon. Het eindigt ronduit defaitistisch, zeker in vergelijking met het optimisme en voluntarisme in het begin (waar hij zelfs praktische raadgevingen formuleert voor een beter bomenbestand).

Na publicatie van ‘Algerijnse kronieken’, veeleer een historische getuigenis zonder veel literaire pretentie, legde Camus zichzelf het zwijgen op. Liever dan het conflict op de spits te drijven – het woord van een Nobelprijswinnaar weegt nu eenmaal zwaarder door – wilde de auteur toewerken naar rust in het debat, ‘opdat de rede weer enige kans maakt’.

Maar de rede faalde schromelijk, zo blijkt zestig jaar na de onafhankelijkheid. En Camus, faalde hij ook in zijn opzet? Moeilijk te beoordelen. Hij kreeg gelijk (het bloed, het lijden) door ongelijk te hebben (de tussenoplossing werd grandioos verworpen).

(Deze bespreek verscheen eerst in de boekenbijlage van De Standaard)

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *