Guillaume Martin: de Nietzsche van het peloton

De Franse profwielrenner Guillaume Martin slaat in een nieuw filosofisch essay de ene na de andere
koerswaarheid aan diggelen.

Op pagina zeven van de Nederlandse vertaling citeert hij losjes Kant. Even later refereert hij subtiel aan Sartre.
Hegel gebruikt hij om de dynamiek tussen kopman en knecht te typeren.


Guillaume Martin (1993) staat onder contract bij de Franse wielerploeg Cofidis en bewijst dat coureurs meer
kunnen dan rijden en stoempen. Met ‘Het peloton en ik’, zijn tweede boek, schreef de Fransman iets tussen een
filosofische verhandeling die alle huidige maatschappelijke topics tackelt (het minst interessante gedeelte), en
een persoonlijke getuigenis over zijn carrière als wielrenner (the juicy stuff).

Voor de niet-kenners: Martin geldt niet als een veelwinnaar. Of een natuurtalent, zoals een Wout
Van Aert of Mathieu van der Poel. Maar mede door zijn columns in Le Monde is hij wel veruit de eerlijkste: hij zegt
wat hij denkt, en wat hij denkt laat hij -gelukkig- niet afhangen van pr-belangen of woordvoerders.

Een voorbeeld: de tendens om automatisch de ploeg te bedanken bij een overwinning bestempelt hij als ‘politiek
correct’. Net als de gedeelde vreugde bij een overwinning van een ploeggenoot: ‘Ik steek toch echt liever mijn
armen voor mezelf in de lucht.’

De evolutie om wielrennen volledig wetenschappelijk te benaderen met data, modellen en objectieve parameters
vindt hij niet altijd een meerwaarde. Het geeft misschien meer inzicht in het fysiologische gestel van een sporter,
maar het laat nog weinig ruimte voor het ongerijmde. Een wielrenner leeft bij gratie van de ingeving: dat ziet
Martin verdwijnen als hij en de zijnen worden aangestuurd ‘als robots van een afstand’.

Klinkt dat hopeloos romantisch? Ja. Maar de leukste passages zijn net diegene waar het gaat over de essentie
van zijn job: het eigen palmares, de vernedering van de concurrentie, het soms beter weten dan sponsor en ploeg
(die wielrenners toch vooral in de markt willen zetten als ideale schoonzonen)

Of Guillaume Martin met die parler-vrai veel vrienden maakt? Het lijkt hem niet te deren. Bovendien spreekt in
die onbeschaamdheid een hartstochtelijke liefde voor zijn vak, dat hij wil vrijwaren als ‘het laatste
maatschappelijke domein’ waar ‘het dierlijke instinct regeert’.

Soms lijkt het alsof niet Martin maar Nietzsche ‘Het peloton en ik’ schreef: eveneens een animalistisch denker
die pleitte voor spelplezier en het ongetemde leven, los van conventie en dogma. En die in die herwonnen
vrijheid het ware leven terugvond, waar alles nog mogelijk lijkt. Voor Martin is koers dat leven, en dat leven wil
hij met de pedalen vermalen.

Maar beiden delen (toevallig) ook dezelfde onhebbelijkheid: de stijl in hun geschriften neemt geregeld de
bovenhand op de inhoud. Guillaume Martin kan schrijven, maar kan ook doordrammen en zich verliezen in rare
vergelijkingen, waardoor hij soms klinkt als een gefrustreerde klavier-ridder die in de comments op een
krantenartikel zijn beklag doet over de staat van de wereld. En niet altijd op een even coherente manier, maar
door het citeren van intellectuelen klinkt het wel lekker diepzinnig.

Hoe dan ook: met ‘Het peloton en ik’ bevestigt Martin zijn status als filosoferende fietser, of fietsende filosoof,
en ligt zijn erfenis stilaan meer in zijn ideeën-strijd dan in zijn sportieve prestaties.

Bovenstaande recensie verscheen eerder in de boekenbijlage van De Standaard. Lees zeker ook dit interview met Guillaume Martin.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *